EEN PET VOOR STEVE

Lieve Janssens komt met 12 deelnemers van Open School Mechelen tweewekelijks samen om Samen te Lezen. Onderstaand verslag vertrekt vanuit de lectuur van Een pet voor Steve, een kortverhaal van Morley Callaghan dat we uitproberen voor het volgende boek dat we samen met Fintro en uitgever Vrijdag realiseren tegen 2020.  Met de steun van Fintro werd Lieve in 2017 opgeleid door het Lezerscollectief.

“Dat kind moest van zijn papa meewerken, maar zoals alle kinderen wou hij liever spelen.” “Ja, begrijpelijk toch, hij wil zijn zoals de andere kinderen.”

Met deze opmerking komt het vertelsalon in Open School bij een eerste pauze meteen goed op gang.  Een twaalftal cursisten lezen al een aantal maanden samen. We zijn goed opgewarmd, de cursisten hebben niet veel nodig om met elkaar in gesprek te gaan; koffie en koekjes volstaan. 

De vraag of dit “moeten werken onrechtvaardig” is, komt al snel bovendrijven.

Stuk voor stuk hebben de deelnemers zulke situaties meegemaakt; op het veld werken, poetsen bij de grootouders, een halve vakantiedag werken en een halve dag vrij. C vertelt hoe ze geen waardering kreeg voor haar poetswerk. Erger nog, haar “bomma zat dag in dag uit in haar zetel te staren, maar na de poetsbeurt stond ze op, ging met haar vinger over de plinten,… en altijd had ze wel iets op te merken”. M was liever een jongen geweest, want de jongens waren vrij om te doen wat ze wilden. Ze moesten niet poetsen en op het veld werken. En toch, hebben ze er niets aan over gehouden, daar zijn ze het over eens.  “De jeugd nu is veeleer lui, ze mogen soms te veel”. 

Bij een volgende pauze valt het op hoe de cursisten worstelen met het beeld van de vader. “Waarom steunt hij zijn zoon niet?” “Dit moet je toch doen als ouder!” “Misschien had hij schrik dat zijn zoon naast zijn schoenen ging lopen”.  K. herkent dit bij haar eigen kleinkind: “Hij is een grote prater, een opschepper maar op school bakt hij er weinig van. ‘Werken’ in de supermarkt als student zal hem deugd doen deze zomer”. Ze hoopt dat dit de jongen kan motiveren.

J. neemt zachtjes het woord. Ze vertelt dat hoe ze zelf is opgevoed, vaak nog een grote rol speelt. Ze betrapt zich erop dat ze erg streng is. “Ik kan het niet verdragen dat mijn kleinkinderen onderuitgezakt in de zetel liggen en zeker niet met een fleece erover… Ik wil er wat losser mee omgaan, maar het is moeilijk.” Cursisten beamen ‘het hervallen in oude patronen’… de gedeelde herkenning heeft iets troostends.

En het beeld van de moeder in dit verhaal?  “Zij moet de kerk in het midden houden.” Stuk voor stuk herkennen de cursisten hierin zichzelf.

Bij een volgende stop komt het thema van armoede op tafel.  De cursisten beschrijven de innerlijke strijd van de vader. “Er moet gewerkt en verdiend worden want ze komen amper rond”. “Zijn leven lijkt wel om geld te draaien.” “Begrijpelijk als je arm bent?” “En toch, hij laat kansen schieten om een fijne vader/zoon relatie op te bouwen… zoiets moet toch gekoesterd worden?”

Eenmaal de rijke advocaat -ook een vader- in het verhaal in beeld komt, zijn de cursisten het erover eens. “Die komt niet op de juiste manier op voor zijn zoon! ”  “Hij geeft het verkeerde voorbeeld dat met geld alles te koop is” “Dave, die voor het geld zwichtte, tot inzicht komt, dit aan zijn zoon kan toegeven en uiteindelijk toch voor steun aan zijn zoon gaat, hij doet het goed.”  “Hopelijk kan hij het volhouden” merkt L op. 

Op het einde hoor ik de cursisten hardop zuchten.  “Arm zijn werkt op je zelfvertrouwen. Dat maakt het moeilijk”. “De schuld doorschuiven naar een kind, dat mag niet gebeuren.” Ze besluiten: “Je moet je kind steunen door dik en dun ook als de dromen van je kind niet echt de jouwe zijn, maar dat is moeilijk. “

Om de zwaarte van dit verhaal te doorbreken, kies ik het gedicht “Hij rechtte zijn rug”.  Vervelend, het gedicht lijkt de groep in eerste instantie niet aan te spreken.  “Het gaat over een boek” wordt er opgemerkt, “dat boek heeft nogal een goed gedacht van zichzelf” merkt iemand schamper op. 

Kan het ook een vergelijking zijn? Een mens die zich vergelijkt met een boek?  “Ja! “klinkt er dan “onze rug rechten, dat moeten we ook doen…”

En dan plots M: “Je moet toch eerst van jezelf houden, om een ander graag te kunnen zien.  Dat is toch waar he!”.

En met deze uitspraak sluiten we ons vertelsalon af. We doen een rondje en we zijn het er allen over eens. Het verhaal en ook het gedicht mogen in het nieuwe boek!

Lieve Janssens 

Educatief medewerker Open School.

Je kan de groep van Lieve aan het werk zien in het volgende filmpje. Collega en opleider Mieke Coremans gaat in gesprek met Luc Keppens, ceo van Fintro, die eerder een bezoek bracht aan de leesgroep.

FINTRO GAAT IN VERBINDING MET HET LEZERSCOLLECTIEF

Omdat er heel wat raakvlakken zijn tussen de  Fintro-waarden en de persoonlijke band en intimiteit dat een boek met een lezer nastreeft  verbindt Fintro zich ook met het Lezerscollectief. Fintro houdt van boeken en lezen. Want boeken (voor)lezen smeedt banden, met andere mensen en culturen. Literatuur geeft inzicht en wakkert de vlam aan die in elk van ons brandt.

Luc Keppens, CEO van Fintro:
“Samen lezen verbindt mensen.  Verhalen doen mensen opleven en geven energie en zuurstof, dat is sinds mensenheugenis zo, en dat blijft ook in het digitale tijdperk.
Fintro is een bank die aandachtig luistert naar de verhalen van haar klanten, een bank die met gezond verstand en concrete daadkracht dromen ondersteunt en mogelijk helpt maken.
Daarom steunen wij diverse initiatieven rond boeken en lezen, en in het bijzonder de schitterende inclusieve initiatieven van het Lezerscollectief.”

Bij Fintro én bij Het Lezerscollectief zijn we alvast verheugd over deze samenwerking.

Je vindt ons samen op de boekenbeurs op de Fintro-stand. We lichten alvast een tipje van de sluier op 9 en 10 november 15-16.00u.

NIEUW OPLEIDINGSWEEKEND: 8-10 DECEMBER 2017

De inschrijvingen voor ons volgende open opleidingsweekend lopen binnen. Je ervaart op zo’n driedaagse wat samen lezen is (en bij jezelf doet) en verkent de methodiek samen met andere leesbegeleiders. Je ontmoet dus andere deelnemers met een passie voor lezen én een passie voor mensen. Want lezen maakt mensen sterker en samen lezen doet dat op een bijzondere manier.

Omdat we geen opledingscentrum zijn maar een netwerk van leesbegleiders, bekijken we eerst je engagement en de plek waar je gaat samen lezen. Dat is ook belangrijk voor je eigen ervaring: na zo’n opleiding ga je onmiddellijk aan de slag en bekwaam je je door de praktijk. Na drie maanden zie je je opleidingsgroep terug in Affligem voor een intervisie. Je brengt je ervaring mee en werkt aan de punten die nog beter kunnen.

Info over hoe we werken vind je op de website. Stel je vragen via info@lezerscollectief.be

PILOOTPROJECTEN IN ANTWERPSE EN GENTSE SCHOLEN IN SAMENWERKING MET CERA

Samen met SamenLezen Antwerpen, Onderwijscentrum Gent en de coöperatie Cera werken we in 2017- 2018 in tien scholen een samen-leesproject uit. We richten ons daarbij op kinderen en jongeren die niet zo gemakkelijk de weg naar sterke verhalen vinden. Binnen de schoolse tijd of via naschoolse activiteiten maken zij kennis met samen lezen als manier om van verhalen en poëzie te leren houden, aandacht te ervaren voor het eigen verhaal en dat van de ander. Het volgende schooljaar (2018-2019) willen we de kans bieden voor andere steden en gemeenten in Vlaanderen en Brussel om van die ervaring te leren en zelf mee in zee te stappen vanuit één van de hopelijk inspirerende samenwerkingsmodellen…

In de volgende nieuwsbrieven houden we je verder op de hoogte van deze samenwerking.

Woordje van ons

In de oogstmaand naar Watou. Rustend op de woorden van Stijn Vranken. Wat drijft toch de tijd? Waarom is hij nooit mee? Confrontatie met beelden en woorden over eenzaamheid.
De berichten van de leesbegeleiders komen binnen. Ze starten opnieuw met hun leesgroep en kijken uit naar nieuwe ontmoetingen en verhalen. Verschillende van onze lezers ervaren de bijeenkomsten als mooie moment die ertoe doen. Een moment van verbondenheid ook.
Het Lezerscollectief staat voor een boeiend en uitdagend jaar. We maken in het volgend seizoen twee nieuwe boeken. met verhalen en gedichten die nu hun weg al volop zoeken in onze leesgroepen.
We werken verder samen met Wablieft, Iedereen Leest, het Vlaams Fonds voor de Letteren en Boek.be. Onze leesgroepen dragen we niet alleen: partners als De Rode Antraciet, de Centra voor Basiseducatie, de hogeschool Odisee, Vorming Plus, De Wissel.… zorgen voor een betere verankering van wat we samen met onze vrijwilligers en opgeleide werknemers rond samen lezen realiseren.
Dank daarvoor.
En vooral… een mooi leesjaar!

INTERVIEW MET PSYCHIATER KRISTIAAN PLASMANS OVER INTUÏTIE

Donderdagmiddag 4 mei kom ik aan bij de Vereniging Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg Antwerpen (VAGGA). Ik heb een afspraak met dr. Kristiaan Plasmans die als psychiater verbonden is aan RC de Keerkring, VAGGA en PZ Bethanië. We ontmoeten elkaar naar aanleiding van het boek ‘De intuïtie van de psychiater’, het afgelopen jaar verschenen boek waarvan hij co-auteur is. Ik vind het een lezenswaardig boek. Het spreekt me aan in het pleidooi om de patiënt met een open blik tegemoet te treden, om naast de ander te gaan staan in een gezamenlijke zoektocht. We praten door over mede-menselijkheid, het buikgevoel en de tussenruimte: een plek van stilte en vertragen. Eerst schetst Plasmans kort zijn persoonlijke achtergrond. Dit als het raamwerk voor het boek. Vervolgens gaat hij in op de hoofdlijnen van het boek. Daarna nemen we wat van mijn vragen door en sluiten we af met een gedicht en een citaat van een andere psychiater.

Plasmans begint met een schets van zijn eigen pad. Dit is namelijk belangrijk als achtergrond voor het boek. Hij is eerst als systeemtherapeut opgeleid in Brugge. In deze studie wordt de nadruk gelegd op familietherapie: het is een sterk contextuele benadering. In dit postmoderne discours wordt niet langer op het zelf gefocust, maar op relaties. Mens en maatschappij worden gezien als sterk verweven. De eigenheid van de mens wordt betwijfeld. Er is sprake van een oplossingsgericht kader met een nadruk op de eigen sterktes en herstelmogelijkheden van de mens.

Vervolgens werkt Plasmans in een meer psychoanalytische setting. Hierbij lag de focus op persoonlijkheidsproblemen, die vaak een oorsprong hebben in de hechting. Ondermeer verwaarlozing en mishandeling vormen vaak een thema in deze problematieken. Hier ervaart hij juist meer nood aan een theorie rond de ontwikkeling van het zelf. Dit vindt hij dan bij de mentalisatietheorie en de belichaamde cognitie: de affectieve neurowetenschappen. Dit gaat in op hoe de mens gebouwd is op rudimentair niveau. Het kernzelf speelt hier een belangrijke rol. Oftewel, hij is zowel gevormd door de contextuele benadering als een benadering met oog voor het zelf.

Tegen deze achtergrond heeft hij aan het boek gewerkt. Hij is voor dit project een twee jaar in Noorwegen met zijn gezin geweest. Hij vertrok met een 100 boeken en keerde terug met een basis manuscript. Terug in België heeft hij het boek afgerond. Het gaat in op een subjecttheorie: een theorie over hoe de mens is opgebouwd of tot wasdom komt. Enerzijds is er sprake van een kernzelf dat automatisch werkt en anderzijds is er het autobiografische zelf, dat grip kan krijgen op het kernzelf. Daarnaast schrijft hij over lichaamsgerichte therapeutische methodieken en over gevoelde betekenis (the felt sense). Hij benadert dit  vanuit de experiëntiële of ervaringsgerichte psychotherapie. Hier is focussen, het gericht luisteren naar deze gevoelde betekenissen, van primair belang en speelt kwetsbaarheid een rol. De structuur van het boek is uiteindelijk wisselend tussen theorie en praktijkvoorbeelden.

Na deze kadering van het boek bespreken we enkele vragen. Ik stel de vraag of we de intuïtie kunnen plaatsen in het dualistische beeld van hoofd-hart, gevoel-verstand, affect-intellect? Plasmans stelt dat deze tegenstellingen weliswaar pogen zaken te verhelderen, terwijl er wat hem betreft steeds sprake is van een interactie tussen beide delen. Hij staat dan ook een meer holistische mensbeeld voor. Wel kunnen mensen zich door bewustwording van bepaalde gevoelens of ervaringen sterker worden.

Vervolgens vraag ik hem of het boek gaat om een gevoeligheid en openheid voor het levensverhaal van ieder mens. Plasmans geeft aan dat dit zonder meer het geval is. Het levensverhaal doet er toe. Voor hem is de verhouding tussen ‘ik’ en ‘de ander’ een belangrijk aanknopingspunt. In therapie kan hier eerst indirect over verteld worden via verhalen. Het beluisteren en benoemen is dan van belang, maar ook evengoed en juist is het stil staan en stil zijn bij het spreken van de patiënt cruciaal. Dit kan weliswaar ongemakkelijk zijn, maar dit vertragen en aanhaken bij het verhaal van de patiënt is wezenlijk. Binnen de narratieve therapie is de kracht van verhalen het uitgangspunt. Het laat toe de mens, als een verhaal, te schrijven en herschrijven. Via verhalen van anderen, en dit kan zelfs gaan over film en literatuur, wordt een nieuw perspectief aangereikt. Soms kan dit leiden tot een levensveranderend inzicht.

Dan laat ik hem het volgende gedicht van Gerrit Achterberg lezen.

Psychiater

 

Leg uw ge-‘weten’ bij mij aan

als thermometer, blijf niet staan

op een verschil van zeven meter

met de normaal.

‘Morgen gaat het beter, beter, beter…’

en laat mij weer naar huis toe gaan

 

Je kunt nog beter henengaan

en haal voor zeven gulden aether;

of doe iets door het middagmaal.

‘En trek je van de zaak niets aan.’

Ik ben misschien allang vergeten,

dat ik nog altijd moet bestaan.

 

Hij ziet inderdaad een tendens in de hulpverlening om eerst labels te plakken en vervolgens een plan hierop te maken. Het evidence-based denken kent ook een opmars in België. Echter, wat hem betreft is aanwezigheid en verbinding van wezenlijk belang. Tegelijk blijft er een verschil tussen psychiater en patiënt. Van de psychiater wordt wel degelijk verwacht en gevraagd dat hij of zij een tegenover biedt. De patiënt wil zijn verhaal vertellen en de zorg van psychiater is om te luisteren, aan te haken en door te vragen.  Binnen het herstelgerichte denken blijven afstand en nabijheid overeind staan, maar het gaat ook om aanwezig zijn en het laten gebeuren in kwetsbaarheid.

Vervolgens vraag ik Plasmans te reageren op een gedicht van de Engelse metafysische dichter John Donne (1572-1631).

Niemand is een eiland

 

 

Niemand is een eiland

Niemand staat alleen

Iedereen maakt deel uit van het vasteland,

Een deel van het geheel.

Als een aardkluit wordt weggespoeld door de zee

wordt Europa minder.

Ook als het een uitsteeksel was

Ook als het een een landhuis van vrienden was

Of van jezelf

Ieder mens’ dood maakt mij minder

Omdat ik betrokken ben op de mensheid

Laat me daarom nooit weten voor wie de kerkklok luidt

Die luidt voor jou.

 

Ik lees hierin het aspect van medemenselijkheid. Wat Plasmans betreft is er inderdaad zoiets als een natuurlijke menselijke verbondenheid. Het menselijk contact dwingt iets af. Hij weet zich hierin geïnspireerd door Levinas’ filosofie van het gelaat. Het gelaat doet een oneindig appel op onze menselijke verantwoordelijkheid. Hierdoor komen we bij de vluchteling terecht. Plasmans spreekt regelmatig vluchtelingen. Het is juist in deze gesprekken dat hij zich het meest machteloos voelt.

 

Ik sluit af met een afbeelding van de Poolse kunstenaar Kaziemierz Cycon (1931-2004). Deze figuur spreek mij sterk aan. Enerzijds lijkt de terugkerende figuur in de werken van de Poolse kunstenaar weg te duiken voor de toeschouwer, en deze tegelijkertijd toch te willen aankijken en te speuren naar zijn of haar reactie: kijken, zonder gezien te worden. In de houding van de figuren sluimert een vage sfeer van schuld en schaamte. Maar anderzijds is ook de tegenovergestelde interpretatie mogelijk: de figuur duikt niet weg, maar recht de rug. Cycons reeks toont een aarzelende dynamiek en pauzeert de figuren op een onbeslist moment en breekbaar interval (bron: museum Dr. Guislain). Plasmans herkent dit drempelmoment in het therapeutisch contact. Zowel de patiënt als de psychiater zijn hierin kwetsbaar. Een authentiek en eigen menselijk handelen is belangrijk.

 

We praten nog wat na, ook over wat er in een gesprek kan gebeuren. Dat je soms dingen zegt, die je niet van plan was. Dat je tot inzicht kunt komen tijdens het praten. Kortom, het is een boeiend gesprek, met stof tot nadenken. Ook binnen de leesinitiatieven is het luisteren en aanhaken van belang. Soms is stilte geboden, maar soms ook doorvragen. Een moedig, authentiek handelen is leidend hierin, en het besef dat je er niet alleen voor staat.

 

Kristiaan Plasmans & Geert Van Asten. De intuïtie van de psychiater. Een pleidooi voor stille signalen in therapie. Lannoo, Tielt, 2016.

 

(Jan Van den Brink)

Doctoraat Reading Suffering van Emy Koopman – een leesverslag

Doctoraat Reading Suffering van Emy Koopman – een leesverslag

Schrijver en onderzoeker Emy Koopman (1985) (wiens debuutroman Orewoet dit jaar op de longlist van de Fintro Literatuurprijs stond), heeft een boeiende doctoraalstudie geschreven. Het gaat over de vraag waarom mensen lezen over het lijden van anderen en welk effect dit op hen heeft. De titel is ‘Reading Suffering[1]’ of ‘Lezen over Lijden’ met als ondertitel: ‘Een empirisch onderzoek naar empathie en reflectie in reactie op literaire verhalen’.

Inhoudelijk

De Griekse filosoof Aristoteles (384-322 vC) schrijft al in zijn Poetica dat het theater zowel angst als medelijden opwekt bij het publiek. Het zou hiermee catharsis bewerkstelligen, ofwel een louterend effect hebben. In het algemeen wordt er geloofd dat literaire werken empathie zou bevorderen en tot reflectie zou leiden. Lezen zou zelfs leiden tot socialer gedrag.

Dit heeft Emy Koopman nader onderzocht. Ze vertrekt vanuit twee wijzen van lijden die regelmatig terugkomen in de hedendaagse literatuur, namelijk depressie en rouw. In de eerste plaats heeft ze gezocht naar de hoofdmotieven van lezers om over lijden te lezen. Ze concludeert dat men over lijden leest omdat men een ‘emotionele en betekenisvolle ervaring’ lijkt na te streven. Verhalen over lijden zijn betekenisvol omdat ze woorden geven aan en inzichten overdragen over ervaringen die lezers weliswaar zelf nog niet hebben gehad en mogelijk nooit zullen hebben, maar die deel uitmaken van wat het betekent om mens te zijn.

Daarnaast heeft ze uitgezocht in welke mate het lezen van narratieve teksten over lijden emotionele reacties tijdens het lezen zelf, reflectie en empathie voor anderen en sociaal gedrag opwekt. Het meevoelen met een personage lijkt ertoe te kunnen leiden dat mensen meer begrip ontwikkelen voor een mensen in een vergelijkbare situatie, en het meevoelen met een personage kan aanzetten tot reflectie. Daarbij leidt het lezen van romans over depressie inderdaad tot een breder begrip voor depressieve mensen, vooral dan wanneer er zowel sterke narratieve als esthetische emoties worden opgewekt. Daarnaast werd helder dat ook als er geen sprake is van identificatie, onverwachte stilistische kenmerken er alsnog voor kunnen zorgen dat lezers gaan invoelen en reflecteren.

Verder gaat Koopman in op in hoeverre persoonlijke ervaringen van de lezer in de tweede vraag een rol spelen. Persoonlijke ervaring, zo blijkt, heeft een effect op sociaal gedrag bij het lezen over depressie, maar niet bij rouw.

Voor ons als lezers

Persoonlijke ervaringen zijn dus van belang, maar ook zonder deze kan literatuur ons raken en empathie bij ons los maken. Literatuur maakt dus zaken in ons mensen los en maakt ons bewust van ons mens-zijn.

Last but not least, Koopman zelf stelt al dat dit onderzoek de suggestie wekt dat we zouden kunnen voorspellen onder welke omstandigheden het lezen van literatuur tot empathische en reflectieve reacties zou leiden. Ze onderstreept echter dat dit nooit te voorspellen is en, vooral, dat we dat nooit zouden moeten willen. Literatuur heeft juist betekenis in haar meerduidigheid en gelaagdheid. Verrassing is het hoofdeffect. Het blijft echter waardevol om te zoeken naar wat de impact van literatuur is. Daarbij valt literatuur niet enkel terug te brengen tot haar sociale nut. Immers, zo besluit ik met haar, literatuur kan juist ook verontrustend en schandalig zijn, een vrijplaats voor onze gedachtes en gevoelens, en het is van het grootste belang dat dit overeind blijft.

Ik denk dat dit ook van belang is voor de leesgroepen. Dit zijn immers juist ook vrijplaatsen waar mensen, onafhankelijk van hun ervaringen kunnen deelnemen, maar waar onze ervaringen betekenisvol zijn en betekenis krijgen.

Reactie Emy Koopman

Ik vraag Emy zelf of ze door haar onderzoek naar literatuur en empathie anders is gaan lezen. Ze vertelt me: “Ik ben door mijn lezersonderzoek naar literatuur en empathie niet anders gaan lezen. Hiervoor had ik (naast een studie Psychologie) al wel de studie Literatuurwetenschap in Utrecht gedaan, inclusief een tweejarige onderzoeksmaster. Dankzij Literatuurwetenschap kan ik technisch kijken naar teksten, maar ik doe dat eerlijk gezegd zelden als ik in mijn vrije tijd een roman lees. Alleen als een tekst mij zeer positief of juist negatief opvalt, probeer ik na te gaan hoe dat komt. Dit ben ik de afgelopen paar jaar meer gaan doen. Dat kwam echter niet door mijn lezersonderzoek, maar doordat ik zelf een roman aan het schrijven was (Orewoet, net als het proefschrift gepubliceerd in september 2016). Hoe verder ik daarmee kwam, hoe vaker ik ook bleef hangen bij zinnen en scenes van andere schrijvers, met name andere debutanten. Een simpele kwestie van vergelijking: hoe doet hij/zij dit, hoe doe ik dat zelf, wat werkt beter? Beide vormen van lezen vind ik waardevol…”

(Jan van den Brink)

[1]   De doctoraalstudie is te vinden op Koopmans website:  https://emykoopman.wordpress.com/phd-project-reading-suffering-literatuur-en-empathie/

WAT HEBBEN OREWOET EN READING SUFFERING MET ELKAAR GEMEEN? EMY KOOPMAN METER VAN HET LEZERSCOLLECTIEF

Wie is Emy Koopman?

Wie je bent, dat lijkt me voor iedereen een moeilijk te beantwoorden vraag, tenzij je terugvalt op je beroep. Ik houd wel van het idee van Aristoteles dat uit je daden blijkt wie je bent: je bent wat je steeds opnieuw doet. In mijn geval is dat: lezen, schrijven, onderzoeken. Het lezen kwam het eerst (volgens mijn moeder was mijn eerste woordje buiten het mama-papa-spectrum ‘biebiekeek’ – bibliotheek), het schrijven volgde zodra ik een basale kennis van het alfabet bezat, dat uitte zich in dierenverhaaltjes vol fouten. ‘Onderzoek’ klinkt wat hoogdravend, maar als je het ziet als nieuwsgierigheid en dingen uitvogelen, dan gaat het samen met alles wat de moeite waard is – zowel schrijven als lezen kan daar niet zonder.

Twee werken van formaat. Met Orewoet publiceer je in 2016 je debuutroman en sta je al op de longlist van de Fintro Literatuurprijs, met Reading Suffering behaal je in 2016 ook Cum Laude je doctoraat…

 De Fintro-nominatie kwam geheel onverwachts, en ook de cum laude zag ik niet aankomen, dat hoor je pas nadat je het proefschrift hebt verdedigd. Het zijn blijken van erkenning die ik zeer waardeer. Zeker de Fintro-nominatie; die geeft me als beginnend schrijver de moed om te blijven schrijven.

In beide boeken spelen rouw en depressie een rol, maar via een roman onderzoek je zoiets natuurlijk op een heel andere manier dan via een onderzoek naar lezersreacties op teksten. In een proefschrift probeer je algemeen geldige uitspraken te kunnen doen, wetmatigheden te vinden, voorlopige antwoorden op onderzoeksvragen te geven. In een roman probeer je via personages ook grotere, algemenere gevoelens te bekijken, maar zonder enige wetenschappelijke pretentie en zonder expliciete stellingname.

Wie Reading Suffering leest, heeft daarna een idee waarom we droevige boeken lezen en wat literatuur kan doen voor empathie. Met wie Orewoet leest kunnen vele dingen gebeuren – dat is van tevoren moeilijk te voorspellen, zelfs met kennis van lezersreacties. Waarschijnlijk zullen eenzame tieners, babyboomers en moeders van moeilijke pubers zich er meer in herkennen dan andere lezers. Al is herkenning niet noodzakelijk voor een waardevolle leeservaring. Orewoet beantwoordt geen vragen, maar ik hoop wel dat bij het lezen invoelbaar wordt dat de grenzen tussen waanzin en verliefdheid en waanzin en normaliteit vloeibaar zijn en dat lezers gaan nadenken over hun eigen neiging om anderen te romantiseren.

Dank om het meterschap op je te nemen. Wat boeit jou in wat Het Lezerscollectief doet?

Het Lezerscollectief is een geweldig initiatief. Het brengt mensen op een laagdrempelige manier in contact met literatuur en met anderen. Ik mocht een keer meekijken bij de leesgroep van Kristien Van Damme in Dendermonde. Het was mooi om te zien hoe de mensen in die groep aan een kleine passage genoeg hadden om zeer persoonlijke herinneringen te delen, maar hoe ze vervolgens ook weer makkelijk terug te halen waren naar het verhaal. Op die manier vormt een literaire tekst de aanleiding om jezelf en anderen beter te leren kennen. Het biedt daar een kader voor, terwijl je tegelijkertijd prachtige zinnen en goede verhalen hoort. Geen wonder dat het Lezerscollectief zo’n succes is.

OP BEZOEK: SAMEN LEZEN IN ZELZATE

Zaterdagmorgen 10.00 sta ik bij het psychiatrisch ziekenhuis in Zelzate, een modern gebouw, met fraaie bomen en een mooie binnentuin. Tot in de jaren ’90 was er alleen plaats voor mannen; nu verblijven er ook enkele vrouwen. Ik bezoek hier de leesgroep onder leiding van Erika. Hoewel de bewoners door hun ziekte en medicijnen moeite hebben om zich te concentreren, lezen ze hier toch, al sinds december 2015.

Ik ga naar binnen met Erika. In de koffieruimte praat ik eerst met haar door over haar motieven en ervaringen. De combinatie van literatuur en samen lezen, gekoppeld aan een sociaal engagement voor laaggeletterden is voor haar belangrijk: haar leesgroep doet ze met hart en ziel. Het personeel steunde aanvankelijk het initiatief niet zo, maar r ook dat is veranderd.

Ze hebben reeds diverse kortverhalen gelezen en zijn bezig met de roman Het Kleine Meisje van Meneer Linh (2005) van Philippe Claudel (1962). Ze lezen elke leesactiviteit  enkele fragmenten uit de roman.

We gaan naar één van de ontmoetingsruimtes. Hier zitten al een paar deelnemers te wachten. Als nieuweling word ik enthousiast onthaald door hen. Peter vertelt me, bijvoorbeeld, dat ze binnenkort een uitstap hebben naar Nederlands Limburg. Erika begint de leeskring met de vraag waar ze in de roman gebleven zijn. Het gaat over meneer Linh en meneer Bark, zo weten ze te vertellen. Meneer Linh is op de vlucht, voor oorlog. Dan beginnen ze te lezen. Meneer Linh, zijn kleindochtertje  Sang diû, en meneer Bark op stap gaan naar de haven. De stevige meneer Bark en de kleine meneer Linh trekken de aandacht onderweg. De haven met haar geuren van vis, algen, zout en pek roept bij de deelnemers ook herinneringen op aan geuren van vroeger: verschillende denken aan tabaksgeuren en anderen aan etenswaren. We lezen verder.

Meneer Linh laat een verkleurde foto laat zien van vroeger, van zijn vaderland waarop hij en zijn vrouw te zien zijn, nog jong en strak kijkend. Dit doet de lezers denken aan vroeger: ook hun familiefoto’s waren nog plechtig en stijfjes. Bij Bark roept deze foto herinneringen op aan de tijd dat hij in dat land een vuile strijd streed. Het raakt hem diep: hij ziet er uit als een ‘schip vernield door een zware storm’. De herinneringen zijn voor Linh en Bark beiden ‘onverdraaglijk’ en ‘verschrikkelijk’. Marc vraagt zich af of de beide mannen nog wel vrienden kunnen zijn, nu Bark heeft gevochten in Linhs land en er verschrikkelijke dingen heeft gedaan. Sang diû, het kleindochtertje, is volgens een ander degene die hen verbindt. We komen aan het einde van het fragment en van de bijeenkomst. Marcus heeft steeds geslapen: door zijn nieuwe medicijnen slaapt hij ’s nachts maar heel kort, hij is al wakker vanaf 2.00.

Ik reflecteer met Erika achteraf over de leesgroep. Het personeel maakte onlangs wel een mooi compliment. Iemand vroeg aan Erika wat ze aan het lezen waren, want het maakt nogal reacties los bij de deelnemers. De besprekingen gaan veelal over de plot van het verhaal: Erika vraagt hen naar de verhaallijn, maar ook naar associaties die de tekst oproepen. Tijdens de besprekingen zijn sommigen vlot en geanimeerd, terwijl anderen stil aanwezig zijn. Daarbij heeft ieder zo zijn eigen patroon. Eén iemand loopt altijd even weg om de was te doen. Een ander luistert alleen en heeft geen behoefte aan de geprinte tekst.

De deelnemers zelf zijn veranderd. Toen Erika begon te lezen, vond iedereen altijd alles mooi vonden. Nu beginnen ze de tekst kritisch te benaderen. Ze vragen zich regelmatig af waarom de schrijver bepaalde zinnen opschrijft. Mooi om te merken dat zowel bij de lezers als bij het personeel dingen in beweging komen…

(JAN VAN DEN BRINK)