INTERVIEW MET PSYCHIATER KRISTIAAN PLASMANS OVER INTUÏTIE

Donderdagmiddag 4 mei kom ik aan bij de Vereniging Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg Antwerpen (VAGGA). Ik heb een afspraak met dr. Kristiaan Plasmans die als psychiater verbonden is aan RC de Keerkring, VAGGA en PZ Bethanië. We ontmoeten elkaar naar aanleiding van het boek ‘De intuïtie van de psychiater’, het afgelopen jaar verschenen boek waarvan hij co-auteur is. Ik vind het een lezenswaardig boek. Het spreekt me aan in het pleidooi om de patiënt met een open blik tegemoet te treden, om naast de ander te gaan staan in een gezamenlijke zoektocht. We praten door over mede-menselijkheid, het buikgevoel en de tussenruimte: een plek van stilte en vertragen. Eerst schetst Plasmans kort zijn persoonlijke achtergrond. Dit als het raamwerk voor het boek. Vervolgens gaat hij in op de hoofdlijnen van het boek. Daarna nemen we wat van mijn vragen door en sluiten we af met een gedicht en een citaat van een andere psychiater.

Plasmans begint met een schets van zijn eigen pad. Dit is namelijk belangrijk als achtergrond voor het boek. Hij is eerst als systeemtherapeut opgeleid in Brugge. In deze studie wordt de nadruk gelegd op familietherapie: het is een sterk contextuele benadering. In dit postmoderne discours wordt niet langer op het zelf gefocust, maar op relaties. Mens en maatschappij worden gezien als sterk verweven. De eigenheid van de mens wordt betwijfeld. Er is sprake van een oplossingsgericht kader met een nadruk op de eigen sterktes en herstelmogelijkheden van de mens.

Vervolgens werkt Plasmans in een meer psychoanalytische setting. Hierbij lag de focus op persoonlijkheidsproblemen, die vaak een oorsprong hebben in de hechting. Ondermeer verwaarlozing en mishandeling vormen vaak een thema in deze problematieken. Hier ervaart hij juist meer nood aan een theorie rond de ontwikkeling van het zelf. Dit vindt hij dan bij de mentalisatietheorie en de belichaamde cognitie: de affectieve neurowetenschappen. Dit gaat in op hoe de mens gebouwd is op rudimentair niveau. Het kernzelf speelt hier een belangrijke rol. Oftewel, hij is zowel gevormd door de contextuele benadering als een benadering met oog voor het zelf.

Tegen deze achtergrond heeft hij aan het boek gewerkt. Hij is voor dit project een twee jaar in Noorwegen met zijn gezin geweest. Hij vertrok met een 100 boeken en keerde terug met een basis manuscript. Terug in België heeft hij het boek afgerond. Het gaat in op een subjecttheorie: een theorie over hoe de mens is opgebouwd of tot wasdom komt. Enerzijds is er sprake van een kernzelf dat automatisch werkt en anderzijds is er het autobiografische zelf, dat grip kan krijgen op het kernzelf. Daarnaast schrijft hij over lichaamsgerichte therapeutische methodieken en over gevoelde betekenis (the felt sense). Hij benadert dit  vanuit de experiëntiële of ervaringsgerichte psychotherapie. Hier is focussen, het gericht luisteren naar deze gevoelde betekenissen, van primair belang en speelt kwetsbaarheid een rol. De structuur van het boek is uiteindelijk wisselend tussen theorie en praktijkvoorbeelden.

Na deze kadering van het boek bespreken we enkele vragen. Ik stel de vraag of we de intuïtie kunnen plaatsen in het dualistische beeld van hoofd-hart, gevoel-verstand, affect-intellect? Plasmans stelt dat deze tegenstellingen weliswaar pogen zaken te verhelderen, terwijl er wat hem betreft steeds sprake is van een interactie tussen beide delen. Hij staat dan ook een meer holistische mensbeeld voor. Wel kunnen mensen zich door bewustwording van bepaalde gevoelens of ervaringen sterker worden.

Vervolgens vraag ik hem of het boek gaat om een gevoeligheid en openheid voor het levensverhaal van ieder mens. Plasmans geeft aan dat dit zonder meer het geval is. Het levensverhaal doet er toe. Voor hem is de verhouding tussen ‘ik’ en ‘de ander’ een belangrijk aanknopingspunt. In therapie kan hier eerst indirect over verteld worden via verhalen. Het beluisteren en benoemen is dan van belang, maar ook evengoed en juist is het stil staan en stil zijn bij het spreken van de patiënt cruciaal. Dit kan weliswaar ongemakkelijk zijn, maar dit vertragen en aanhaken bij het verhaal van de patiënt is wezenlijk. Binnen de narratieve therapie is de kracht van verhalen het uitgangspunt. Het laat toe de mens, als een verhaal, te schrijven en herschrijven. Via verhalen van anderen, en dit kan zelfs gaan over film en literatuur, wordt een nieuw perspectief aangereikt. Soms kan dit leiden tot een levensveranderend inzicht.

Dan laat ik hem het volgende gedicht van Gerrit Achterberg lezen.

Psychiater

 

Leg uw ge-‘weten’ bij mij aan

als thermometer, blijf niet staan

op een verschil van zeven meter

met de normaal.

‘Morgen gaat het beter, beter, beter…’

en laat mij weer naar huis toe gaan

 

Je kunt nog beter henengaan

en haal voor zeven gulden aether;

of doe iets door het middagmaal.

‘En trek je van de zaak niets aan.’

Ik ben misschien allang vergeten,

dat ik nog altijd moet bestaan.

 

Hij ziet inderdaad een tendens in de hulpverlening om eerst labels te plakken en vervolgens een plan hierop te maken. Het evidence-based denken kent ook een opmars in België. Echter, wat hem betreft is aanwezigheid en verbinding van wezenlijk belang. Tegelijk blijft er een verschil tussen psychiater en patiënt. Van de psychiater wordt wel degelijk verwacht en gevraagd dat hij of zij een tegenover biedt. De patiënt wil zijn verhaal vertellen en de zorg van psychiater is om te luisteren, aan te haken en door te vragen.  Binnen het herstelgerichte denken blijven afstand en nabijheid overeind staan, maar het gaat ook om aanwezig zijn en het laten gebeuren in kwetsbaarheid.

Vervolgens vraag ik Plasmans te reageren op een gedicht van de Engelse metafysische dichter John Donne (1572-1631).

Niemand is een eiland

 

 

Niemand is een eiland

Niemand staat alleen

Iedereen maakt deel uit van het vasteland,

Een deel van het geheel.

Als een aardkluit wordt weggespoeld door de zee

wordt Europa minder.

Ook als het een uitsteeksel was

Ook als het een een landhuis van vrienden was

Of van jezelf

Ieder mens’ dood maakt mij minder

Omdat ik betrokken ben op de mensheid

Laat me daarom nooit weten voor wie de kerkklok luidt

Die luidt voor jou.

 

Ik lees hierin het aspect van medemenselijkheid. Wat Plasmans betreft is er inderdaad zoiets als een natuurlijke menselijke verbondenheid. Het menselijk contact dwingt iets af. Hij weet zich hierin geïnspireerd door Levinas’ filosofie van het gelaat. Het gelaat doet een oneindig appel op onze menselijke verantwoordelijkheid. Hierdoor komen we bij de vluchteling terecht. Plasmans spreekt regelmatig vluchtelingen. Het is juist in deze gesprekken dat hij zich het meest machteloos voelt.

 

Ik sluit af met een afbeelding van de Poolse kunstenaar Kaziemierz Cycon (1931-2004). Deze figuur spreek mij sterk aan. Enerzijds lijkt de terugkerende figuur in de werken van de Poolse kunstenaar weg te duiken voor de toeschouwer, en deze tegelijkertijd toch te willen aankijken en te speuren naar zijn of haar reactie: kijken, zonder gezien te worden. In de houding van de figuren sluimert een vage sfeer van schuld en schaamte. Maar anderzijds is ook de tegenovergestelde interpretatie mogelijk: de figuur duikt niet weg, maar recht de rug. Cycons reeks toont een aarzelende dynamiek en pauzeert de figuren op een onbeslist moment en breekbaar interval (bron: museum Dr. Guislain). Plasmans herkent dit drempelmoment in het therapeutisch contact. Zowel de patiënt als de psychiater zijn hierin kwetsbaar. Een authentiek en eigen menselijk handelen is belangrijk.

 

We praten nog wat na, ook over wat er in een gesprek kan gebeuren. Dat je soms dingen zegt, die je niet van plan was. Dat je tot inzicht kunt komen tijdens het praten. Kortom, het is een boeiend gesprek, met stof tot nadenken. Ook binnen de leesinitiatieven is het luisteren en aanhaken van belang. Soms is stilte geboden, maar soms ook doorvragen. Een moedig, authentiek handelen is leidend hierin, en het besef dat je er niet alleen voor staat.

 

Kristiaan Plasmans & Geert Van Asten. De intuïtie van de psychiater. Een pleidooi voor stille signalen in therapie. Lannoo, Tielt, 2016.

 

(Jan Van den Brink)

Doctoraat Reading Suffering van Emy Koopman – een leesverslag

Doctoraat Reading Suffering van Emy Koopman – een leesverslag

Schrijver en onderzoeker Emy Koopman (1985) (wiens debuutroman Orewoet dit jaar op de longlist van de Fintro Literatuurprijs stond), heeft een boeiende doctoraalstudie geschreven. Het gaat over de vraag waarom mensen lezen over het lijden van anderen en welk effect dit op hen heeft. De titel is ‘Reading Suffering[1]’ of ‘Lezen over Lijden’ met als ondertitel: ‘Een empirisch onderzoek naar empathie en reflectie in reactie op literaire verhalen’.

Inhoudelijk

De Griekse filosoof Aristoteles (384-322 vC) schrijft al in zijn Poetica dat het theater zowel angst als medelijden opwekt bij het publiek. Het zou hiermee catharsis bewerkstelligen, ofwel een louterend effect hebben. In het algemeen wordt er geloofd dat literaire werken empathie zou bevorderen en tot reflectie zou leiden. Lezen zou zelfs leiden tot socialer gedrag.

Dit heeft Emy Koopman nader onderzocht. Ze vertrekt vanuit twee wijzen van lijden die regelmatig terugkomen in de hedendaagse literatuur, namelijk depressie en rouw. In de eerste plaats heeft ze gezocht naar de hoofdmotieven van lezers om over lijden te lezen. Ze concludeert dat men over lijden leest omdat men een ‘emotionele en betekenisvolle ervaring’ lijkt na te streven. Verhalen over lijden zijn betekenisvol omdat ze woorden geven aan en inzichten overdragen over ervaringen die lezers weliswaar zelf nog niet hebben gehad en mogelijk nooit zullen hebben, maar die deel uitmaken van wat het betekent om mens te zijn.

Daarnaast heeft ze uitgezocht in welke mate het lezen van narratieve teksten over lijden emotionele reacties tijdens het lezen zelf, reflectie en empathie voor anderen en sociaal gedrag opwekt. Het meevoelen met een personage lijkt ertoe te kunnen leiden dat mensen meer begrip ontwikkelen voor een mensen in een vergelijkbare situatie, en het meevoelen met een personage kan aanzetten tot reflectie. Daarbij leidt het lezen van romans over depressie inderdaad tot een breder begrip voor depressieve mensen, vooral dan wanneer er zowel sterke narratieve als esthetische emoties worden opgewekt. Daarnaast werd helder dat ook als er geen sprake is van identificatie, onverwachte stilistische kenmerken er alsnog voor kunnen zorgen dat lezers gaan invoelen en reflecteren.

Verder gaat Koopman in op in hoeverre persoonlijke ervaringen van de lezer in de tweede vraag een rol spelen. Persoonlijke ervaring, zo blijkt, heeft een effect op sociaal gedrag bij het lezen over depressie, maar niet bij rouw.

Voor ons als lezers

Persoonlijke ervaringen zijn dus van belang, maar ook zonder deze kan literatuur ons raken en empathie bij ons los maken. Literatuur maakt dus zaken in ons mensen los en maakt ons bewust van ons mens-zijn.

Last but not least, Koopman zelf stelt al dat dit onderzoek de suggestie wekt dat we zouden kunnen voorspellen onder welke omstandigheden het lezen van literatuur tot empathische en reflectieve reacties zou leiden. Ze onderstreept echter dat dit nooit te voorspellen is en, vooral, dat we dat nooit zouden moeten willen. Literatuur heeft juist betekenis in haar meerduidigheid en gelaagdheid. Verrassing is het hoofdeffect. Het blijft echter waardevol om te zoeken naar wat de impact van literatuur is. Daarbij valt literatuur niet enkel terug te brengen tot haar sociale nut. Immers, zo besluit ik met haar, literatuur kan juist ook verontrustend en schandalig zijn, een vrijplaats voor onze gedachtes en gevoelens, en het is van het grootste belang dat dit overeind blijft.

Ik denk dat dit ook van belang is voor de leesgroepen. Dit zijn immers juist ook vrijplaatsen waar mensen, onafhankelijk van hun ervaringen kunnen deelnemen, maar waar onze ervaringen betekenisvol zijn en betekenis krijgen.

Reactie Emy Koopman

Ik vraag Emy zelf of ze door haar onderzoek naar literatuur en empathie anders is gaan lezen. Ze vertelt me: “Ik ben door mijn lezersonderzoek naar literatuur en empathie niet anders gaan lezen. Hiervoor had ik (naast een studie Psychologie) al wel de studie Literatuurwetenschap in Utrecht gedaan, inclusief een tweejarige onderzoeksmaster. Dankzij Literatuurwetenschap kan ik technisch kijken naar teksten, maar ik doe dat eerlijk gezegd zelden als ik in mijn vrije tijd een roman lees. Alleen als een tekst mij zeer positief of juist negatief opvalt, probeer ik na te gaan hoe dat komt. Dit ben ik de afgelopen paar jaar meer gaan doen. Dat kwam echter niet door mijn lezersonderzoek, maar doordat ik zelf een roman aan het schrijven was (Orewoet, net als het proefschrift gepubliceerd in september 2016). Hoe verder ik daarmee kwam, hoe vaker ik ook bleef hangen bij zinnen en scenes van andere schrijvers, met name andere debutanten. Een simpele kwestie van vergelijking: hoe doet hij/zij dit, hoe doe ik dat zelf, wat werkt beter? Beide vormen van lezen vind ik waardevol…”

(Jan van den Brink)

[1]   De doctoraalstudie is te vinden op Koopmans website:  https://emykoopman.wordpress.com/phd-project-reading-suffering-literatuur-en-empathie/

WAT HEBBEN OREWOET EN READING SUFFERING MET ELKAAR GEMEEN? EMY KOOPMAN METER VAN HET LEZERSCOLLECTIEF

Wie is Emy Koopman?

Wie je bent, dat lijkt me voor iedereen een moeilijk te beantwoorden vraag, tenzij je terugvalt op je beroep. Ik houd wel van het idee van Aristoteles dat uit je daden blijkt wie je bent: je bent wat je steeds opnieuw doet. In mijn geval is dat: lezen, schrijven, onderzoeken. Het lezen kwam het eerst (volgens mijn moeder was mijn eerste woordje buiten het mama-papa-spectrum ‘biebiekeek’ – bibliotheek), het schrijven volgde zodra ik een basale kennis van het alfabet bezat, dat uitte zich in dierenverhaaltjes vol fouten. ‘Onderzoek’ klinkt wat hoogdravend, maar als je het ziet als nieuwsgierigheid en dingen uitvogelen, dan gaat het samen met alles wat de moeite waard is – zowel schrijven als lezen kan daar niet zonder.

Twee werken van formaat. Met Orewoet publiceer je in 2016 je debuutroman en sta je al op de longlist van de Fintro Literatuurprijs, met Reading Suffering behaal je in 2016 ook Cum Laude je doctoraat…

 De Fintro-nominatie kwam geheel onverwachts, en ook de cum laude zag ik niet aankomen, dat hoor je pas nadat je het proefschrift hebt verdedigd. Het zijn blijken van erkenning die ik zeer waardeer. Zeker de Fintro-nominatie; die geeft me als beginnend schrijver de moed om te blijven schrijven.

In beide boeken spelen rouw en depressie een rol, maar via een roman onderzoek je zoiets natuurlijk op een heel andere manier dan via een onderzoek naar lezersreacties op teksten. In een proefschrift probeer je algemeen geldige uitspraken te kunnen doen, wetmatigheden te vinden, voorlopige antwoorden op onderzoeksvragen te geven. In een roman probeer je via personages ook grotere, algemenere gevoelens te bekijken, maar zonder enige wetenschappelijke pretentie en zonder expliciete stellingname.

Wie Reading Suffering leest, heeft daarna een idee waarom we droevige boeken lezen en wat literatuur kan doen voor empathie. Met wie Orewoet leest kunnen vele dingen gebeuren – dat is van tevoren moeilijk te voorspellen, zelfs met kennis van lezersreacties. Waarschijnlijk zullen eenzame tieners, babyboomers en moeders van moeilijke pubers zich er meer in herkennen dan andere lezers. Al is herkenning niet noodzakelijk voor een waardevolle leeservaring. Orewoet beantwoordt geen vragen, maar ik hoop wel dat bij het lezen invoelbaar wordt dat de grenzen tussen waanzin en verliefdheid en waanzin en normaliteit vloeibaar zijn en dat lezers gaan nadenken over hun eigen neiging om anderen te romantiseren.

Dank om het meterschap op je te nemen. Wat boeit jou in wat Het Lezerscollectief doet?

Het Lezerscollectief is een geweldig initiatief. Het brengt mensen op een laagdrempelige manier in contact met literatuur en met anderen. Ik mocht een keer meekijken bij de leesgroep van Kristien Van Damme in Dendermonde. Het was mooi om te zien hoe de mensen in die groep aan een kleine passage genoeg hadden om zeer persoonlijke herinneringen te delen, maar hoe ze vervolgens ook weer makkelijk terug te halen waren naar het verhaal. Op die manier vormt een literaire tekst de aanleiding om jezelf en anderen beter te leren kennen. Het biedt daar een kader voor, terwijl je tegelijkertijd prachtige zinnen en goede verhalen hoort. Geen wonder dat het Lezerscollectief zo’n succes is.

WREED SCHOON: THEMA VAN ONZE NETWERKDAG

“Het was een hallucinante ervaring om deze “nieuwe” sprookjes te lezen. Alsof de westerse cultuurgeschiedenis wordt herverteld, maar dan met granaatappelen, met maniok en vulkaanbergen als decor. De daaraan verbonden conclusies moet iedereen zelf maar trekken – ik hoop in elk geval dat elke Belgische, elke Nederlandse lezer deze sprookjes mag leren kennen.”

Ramsey Nasr over het boek Wreed schoon, Marita De Sterck. Uitgeverij Polis, 2017

SAMEN LEZEN- WREED SAMEN

Een zonnige winterochtend half maart. De lucht zwanger van de lente: heldere, frisse lucht, vogels en schapen op de velden rondom de Kluizenarij in Affligem.

Blije leesbegeleiders ook want vandaag mogen ze weer een dag genieten van samen lezen, deze keer in de vorm van een netwerkdag met Marita de Sterck. We komen samen rond een nieuw boek van Marita: Wreed schoon. Volkssprookjes op reis. In dit boek tekende Marita de Sterck levende verhalen op zoals ze vandaag nog verteld worden in de woonkamers van de vele verschillende culturen die Vlaanderen ondertussen rijk is.

Vooraleer Marita ons over dit project vertelt – wat ze op een onnavolgbare enthousiasmerende manier doet – lezen we in twee groepen een verhaal uit de bundel. Vooral de leesgroep rond een verhaal uit Burundi blijft lang na afloop hangen. Waarom dan wel? Omdat niet alleen het verhaal wreed schoon was, maar ook en misschien vooral omdat het gesprek errond wreed tof bleek.

Het verhaal De man van haar dromen[1] is een van Marita’s lievelingsverhalen uit de bundel. Ze was dan ook benieuwd hoe het verhaal ‘het zou doen’ in een samen lezen-sessie. Met een achttal vrouwen – waaronder Marita – trokken we naar een rustige en zonnige ruimte in de Kluizenarij. Gezeten aan een ronde tafel, met wat kachelwarmte om de kilte uit de ruimte te verdrijven, begonnen we aan het verhaal. De beginzin deed een klassiek sprookje vermoeden: ‘Er was eens een mooie jonge vrouw die dag en nacht van liefde droomde. Maar een echtgenoot of geliefde had ze nog niet.’ Als leesbegeleider merkte ik hoe verrast de vrouwen waren toen bleek dat deze jonge vrouw – die afwijzend stond tegenover veel jonge mannen – zich volledig overgaf aan een nachtelijke, geheime minnaar en nadien nog maagd bleek te zijn. Toen ik halt hield na de zin ‘Blonk ze nog meer dan anders? Wat als iedereen aan haar kon zien dat ze de liefde bedreven had?’ ontspon het gesprek zich onmiddellijk. Een vraag van mijn kant was overbodig aangezien de aanwezige vrouwen elkaar zelf voldoende vragen stelden: Was het een droom? Maar vanwaar dan die gekreukte lakens die de jonge vrouw stiekem uitwaste? Realiteit en fantasie leken probleemloos in elkaar over te vloeien. En wat dan nog als het slechts een droom was? Kunnen dromen verlangens vervullen? Je (fysiek) veranderen? Waarom hield de jonge vrouw het nachtelijk bezoek geheim? En waw, sommigen hadden zelf wel zo’n (droom)man op bezoek willen krijgen! Gegrinnik alom, maar ook wat verbazing over de onverschrokkenheid van die jonge vrouw die duidelijk wist wat ze wou,  ‘een slimme en knappe geliefde met lieve ogen, een zachte mond, stevige schouders en warme handen.’ Vooral de zinnen ‘Nooit eerder had iemand haar van tot teen zo beroerd. Ze gaf zich over.’ werden eruit gelicht als ‘sterk’.

De deelnemers wilden verder lezen. Zoveel was duidelijk.

Het verhaal nam alweer een verrassende wending. Niet omdat ‘de nachtelijke bezoeken mannen van heinde en ver aan[trokken], maar omdat de ouders van het meisje – duidelijk geboren in een Afrikaanse, landelijke omgeving – akkoord gingen met een van de jonge vrijers die zei dat hij geen besneden meisje wou. Bovendien was het ‘een knappe man die niet lomp, niet dom, niet snoeverig was. Hij kon zijn ogen niet afhouden van de jonge vrouw.’

We pauzeren nogmaals, want hier viel toch veel over te zeggen. Allemaal vonden we de reactie van de ouders en de jongeman fantastisch. Je moet wel sterk zijn om tegen je eigen gemeenschap en de daar geldende normen en waarden in te gaan. Niet gemakkelijk. Wat zou een man van dit verhaal vinden vroeg een van de lezers zich op een bepaald moment af. Ze miste – zo zei ze- het mannelijk perspectief in dit verhaal, wat vele anderen tegenspraken. Hilariteit alom dan ook toen kort na deze interventie de deur van de kamer openging en Dirk Terryn – organisator van de netwerkdag – kwam kijken ‘of we bijna klaar waren’? Wat een vraag, neen, we waren zeker nog niet uitgepraat. Onder gegiechel sloot Dirk de deur en gunde ons nog wat tijd.

Tijd voor het laatste stukje van het verhaal waarbij naar mijn aanvoelen iets héél moois gebeurde nadat een van de lezers zei dat ‘een vrouw toch recht heeft op iets ‘van haar alleen’, op een geheime plek in haar hoofd, want de jonge vrouw uit het verhaal trouwde dan wel met de jonge aanbidder, het was pas nadat ze een kind van hem kreeg dat ze niet meer verlangde naar haar nachtelijke, ideale minnaar… Een andere vrouw vond dit maar raar – met je partner deel je toch alles? Ook je fantasieën? Mmm, velen onder ons dachten daar anders over, maar geen enkele keer werd een idee weggelachen, als ‘vreemd’ bestempeld… Neen, in een bijzonder intieme sfeer verkenden we elkaars ideeën en die man… die misten we even helemaal niet.

Silvie Vanoosthuyze. Leesbegeleider Odisee, campus Brussel

Graag verwijzen wij ook naar de boeiende expo bij het boek. Een uitstap meer dan waard… http://www.permeke.org/wreedschoon/expo

[1] Marita de Sterck & Jonas Thys (ill.) (2017). Wreed schoon. Volkssprookjes op reis. Kalmthout: Polis, pp. 316-319.

SAMENLEZEN IN DE BASISSCHOOL

In mei-juni 2015 nam ik deel aan de opleiding “SamenLezen met kinderen en jongeren”. SamenLezen is niet “zomaar” lezen. Je leest samen in een groepje. De begeleider leest een goedgekozen tekst voor, stopt verschillende keren om over gedachten, indrukken te praten. Er wordt afgesloten met een gedicht dat een verband heeft met het onderwerp van de gelezen tekst. Het mooie is dat je op deze manier trager maar ook diepgaander leest. Je ondervindt ook dat er verschillende leeservaringen of indrukken, meningen zijn. Het is interessant om die (andere) ideeën te delen.

In september 2016 ben ik er op school meteen mee begonnen. Ik startte een leesgroep in het vierde leerjaar en in het vijfde leerjaar. Ik gaf de leerkrachten “leestickets”. Wie zin had om te komen, mocht een ticket vragen en werd zo lid van het leesgroepje.

Ik probeerde van in het begin duidelijk te maken dat dit geen “schoolse” activiteit is: we komen allemaal voor ons plezier. Niemand moet, je kiest zelf, ook voor de enkele regels die erbij horen. De belangrijkste regels zijn dat ze de tekst moeten meevolgen, al lezend of luisterend, en dat er naar elkaar geluisterd wordt.

Ik laat de leesgroepjes over de middag naar mijn lokaal komen. De kinderen komen bij mij na het laatste lesuur van de voormiddag. Ik heb een grote tafel klaar. Een tafelkleed, thee en een koekje maken het wat huiselijker. Nadat ze hun boterhammen opgegeten hebben, gaan we aan de slag. Dan lees ik de tekst, we stoppen een aantal keer, we praten erover. Wie wilt, vertelt wat hem in de tekst raakte, wat hij raar, mooi vond. Ik stel soms ook vragen om het op gang te brengen, en ik vertel zelf ook over wat ik bv. mooi vond. Leesbeleving, leesplezier, daar doe ik het voor.

Ik krijg gemengde groepjes: sommige kinderen lezen zelf al veel, andere bijna nooit. Sommige kinderen zijn erg goed ter taal, anderen zijn dat minder, zijn stiller, maar genieten toch mee. Meestal laten ook zij zich na een paar keer horen, ook al moet dat niet.

Ze vinden het gezellig en houden van het samen lezen, vertellen. Soms slaat een tekst niet echt aan, maar dat vinden ze dan niet erg. Soms zeggen ze wel eens “Hier snap ik niets van!”, maar dan is er meestal iemand die het wél begrijpt en dan uitleg geeft.

Het afsluitend gedicht heeft succes, ze vinden bijna altijd de link met de tekst. Ze ontdekken poëzie en bijna iedereen houdt ervan.

Rond één uur ronden we af, zodat ze tot half twee nog tijd hebben om buiten te spelen.

Hoewel het geen doel op zich is, vragen de meeste kinderen wel naar het boek waar de tekst uitkomt. Ze willen het dan graag snel lezen.

Ik doe dit nu anderhalf jaar op school. Ik vind het zelf ook verrijkend. Ik ben dikwijls aangenaam verrast door hun opmerkingen, hun kijk op dingen. Ik vind het erg fijn als ik merk dat de kinderen die al langer komen, zo vertrouwd zijn met SamenLezen en er erg van genieten. Doordat er veel kinderen willen komen en ik de groepjes niet te groot wil- ik vind acht kinderen genoeg- is er een beurtrol. De groepjes komen vijf keer, dan is het de beurt aan de volgende groepjes enz. tot we weer bij de “begin”groepjes zijn.

Het vraagt van mij een extra inspanning: twee keer over de middag gaat mijn pauze naar het leesgroepje. Er is ook wat voorbereiding voor nodig. Een goede tekst zoeken, waar je zelf binding mee hebt, liefst een tekst die ze nog niet kennen, vergt wat tijd. Ook een passend, goed gedicht zoeken is belangrijk. Maar ik heb veel voldoening van de gezellige sfeer, de genietende kinderen. Ik vind het fijn om mijn passie voor lezen op deze manier te kunnen doorgeven.

Marina Waterschoot

HET LEZERSCOLLECTIEF IN DE LERARENOPLEIDING OP CAMPUS WAAS

Het studentenleven in een lerarenopleiding lager onderwijs is hectisch: lessen volgen, (groeps)taken maken, studeren voor basiskennistoetsen, bijeenkomsten met en voorbereidingen voor de leergemeenschappen in een “echte” school, lesvoorbereidingen uitwerken …

Een mens zou er zijn hoofd bij verliezen.

Toch is er een manier om even tot stilstand te komen, innerlijke rust te (her)ontdekken, kennis te maken met literaire teksten en vrij te praten over teksten of ervaringen te delen.

Geïnteresseerde studenten gaan tijdens de samen-leessessies van Het Lezerscollectief in op het aanbod om over de middag in het vaklokaal taal samen boterhammen te eten en tegelijk te luisteren, mee te lezen en te praten over de teksten die ik voorlees. De tijd staat even stil. De studenten genieten en laten de rest voortrazen.

Eerst was het onwennig: ik stopte zomaar met voorlezen en liet een stilte vallen! Gaandeweg was de stilte geen bedreiging meer maar een adempauze, een moment om met elkaar te delen wat de tekst teweegbracht, een moment om te ontdekken dat het ‘klikte’ met iedereen van de groep. De middagpauze duurt drie kwartier en soms vinden studenten het moeilijk om zich te laten grijpen door de korte teksten.

Gaandeweg heb ik een aantal teksten gevonden die passen: lang genoeg om erin te kunnen duiken en kort genoeg om genoeg pauzes te laten vallen en rust te scheppen.

Na de tekst volgt een gedicht. Dat gedicht sluit soms duidelijk aan bij de tekst, soms is het een uitdaging raakpunten te vinden maar de studenten vinden er altijd en geregeld volgt een gesprek zonder dat ik nog dien aan te porren met een vraag.

Tijdens de examentijd en stageperiodes liggen de samen-leessessies stil. Ik hoop echter dat de studenten na verloop van tijd toch tijd zullen vrijmaken omdat ze de rust van het samen-lezen kunnen ‘gebruiken’.

 

Hilde Van den Bossche

HOGE VERWACHTINGEN SCHEPPEN HOGE RESULTATEN

Zo ook in ons eigen werk bij het Lezerscollectief. We geloven in de kracht van mensen en de kracht die er vanuit sterke verhalen uitgaat. We verlaten de stereotyperingen. Niets is wat het lijkt.

Tussen de vele kunstwerken die een lezende persoon afbeelden, vond ik één van fotograaf Eve Arnold.  ‘Marilyn leest Ulysses’. Arnold speelt met het feit dat we snel een beeld van iemand vormen, een oordeel ook. Heeft de blonde seksicoon van de twintigste eeuw, Ulysses van James Joyce, het cultuuricoon werkelijk gelezen??? En kan dat wel? Is zij wel tot zoiets in staat? Inderdaad: zoiets past toch niet in het plaatje van het domme blondje. Het plaatje van glitter en glamour past toch niet bij het plaatje van de ‘intellectueel’?

In het boek ‘Vrouwen die lezen zijn gevaarlijk’ (Stefan Bollmann- Mercatorfonds 2006) las ik zelfs dat professor literatuur Richard Brown 30 jaar na het maken van het beeld de fotografe contacteerde om haar te vragen of Marilyn het boek werkelijk las of er enkel mee poseerde. Eve Arnold antwoordde dat toen ze Marilyn ontmoette, zij in het boek aan het lezen was en haar vertelde dat ze de tekst hardop las om hem beter te kunnen verstaan. Ze hield erg veel van de toon van het werk.

Mooi toch?

Dirk Terryn

SAMEN LEZEN IN DE BIBLIOTHEEK VAN BELLINGEN

Ann Vandamme (bibliotheek van Bellingen) vroeg het Lezerscollectief om met jongeren van Huize Ter Loo het boek BLACK samen te lezen. Leesbegeleider Eliane De Moor nam de uitdaging aan…

BLACK

Dat is de huidskleur van Marie Evelyne. Ze is 16 jaar, woont met haar ouders in Brussel en gaat er naar school. Tot op een dag haar neef David voorstelt om een veel opwindender leven te gaan leiden bij de jongerenbende The Black Bronx. Voor Marie Evelyne betekent haar zwarte huid dat ze nooit de kansen zal krijgen waar ze op hoopt. Ze besluit haar saaie leventje vaarwel te zeggen en als Mavela het straatleven van The Black Bronx te delen.

De huidskleur van de Marokkaan Marwan is een toontje lichter maar ook hij voelt de ongelijkheid. Hij heeft zich aangesloten bij de 1080ers die op hun beurt in Brussel hun macht willen tonen en manieren zoeken om te overleven.

Mavela en Marwan ontmoeten elkaar voor het eerst op het politiebureau. Het is het begin van wat een onmogelijke liefde lijkt.

Dirk Bracke heeft hun verhaal in het boek BLACK opgeschreven.

Adil El Harbi en Bilall Fallah hebben er een film van gemaakt waarin ook het vervolgboek BACK is verwerkt.

De Openbare Bibliotheek van Bellingen nodigde jongeren uit Huize Ter Loo uit om het boek van Dirk Bracke samen met Eliane van het Lezerscollectief te lezen en erover te praten. Dat ging door op 4 woensdagnamiddagen in een lokaal van de Bibliotheek van Bellingen. Een hapje en een drankje zorgden voor een aangename sfeer. De gesprekken waren boeiend en met de jongeren die het veelal in moeilijke situaties moeten zien te redden werd het SAMEN LEZEN een intense ervaring

De apotheose en de beloning voor hun trouwe aanwezigheid was de voorstelling van de film in De Meent in Alsemberg waarbij actrices Martha Canga en regisseur Bilall Fallah aanwezig waren om met iedereen in gesprek te gaan. Een fijne avond waar iedereen van heeft genoten. 

Als je iets in een boek leest moet je eerst zelf een manier vinden om daar mee om te gaan. Je moet een beeld vormen of je eigen gevoelens een plaats geven.

In een verfilmd boek heeft iemand dat voor jou gedaan. Je kan altijd afstand nemen en zeggen ‘Och, het is toch maar film’.

Een Samenlezer 

Eliane De Moor

LEESCAFE BIJ BESCHUT WONEN VELZEKE

Na afloop van een kunstenproject dat zeer positief verliep, leefde bij Beschut Wonen de vraag om verder samen te werken met Vormingplus, maar andere aspecten van kunstbeoefening te verkennen die wellicht ook andere deelnemers zouden aanspreken.

Vormingplus ging hier graag op in met de organisatie van een ‘Leescafé’. We kozen voor deze naam om het informele karakter en de gelijkwaardigheid van deelnemers (en begeleider) te benadrukken. Van bij het begin was het de bedoeling de groep in een veilige, vertrouwde omgeving te laten kennismaken met de methode, om nadien in een minder bekende omgeving en uitgebreid met nieuwe deelnemers verder te gaan. Na een proefsessie in de lokalen van Beschut Wonen, waren er voldoende kandidaten om van start te gaan.

De eerste bijeenkomsten vonden afwisselend plaats op dinsdag en vrijdag, op zoek naar de meest geschikte dag. We startten op vrijdag 4 maart 2016.

De plek waar we samenkomen is ‘De Villa’, een huis waar verschillende ex-psychiatrische patiënten samenwonen in Velzeke. Het is er huiselijk en gezellig en makkelijk bereikbaar voor de deelnemers. Er wordt elke keer voor koffie en een hapje gezorgd.

Nadeel van de plek: er lopen mensen binnen en buiten, er wordt aangebeld, gepraat in de keuken. Van de bewoners deed er elke keer minstens één iemand mee, soms meerdere mensen. Het was moeilijk voor de bewoners om zich te concentreren op het hier en nu.

Ondanks aandringen van de begeleiders van Beschut Wonen bleven sommige verantwoordelijken tijdens het leescafé mensen storen met vragen of opdrachten.

Na een paar bijeenkomsten bracht ik muziek mee om vooraf te laten horen. Het bracht sfeer en het was voor de andere bewoners een teken dat er een Leescafé ging plaatsvinden.

Op de eerste bijeenkomst waren enkele mensen uit het psychiatrische ziekenhuis aanwezig, samen met een begeleidster. Hoewel deze deelnemers wel aandachtig luisterden naar de teksten, verliep de bespreking met hen zeer moeilijk. Hun tussenkomsten gingen telkens over henzelf en hun problematiek, het verband met de tekst ging totaal verloren.

Voor de deelnemers van Beschut Wonen werkte de aanwezigheid van mensen uit het ziekenhuis niet. Ze werden stil en verloren hun aandacht. Vanuit hun standpunt was dit ook weinig moedgevend; ze werden geconfronteerd met mensen die in hun integratie in de samenleving nog lang niet zo ver staan als zij.

In overleg met de begeleiders van Beschut Wonen werd afgesproken geen patiënten uit het ziekenhuis meer uit te nodigen.

De verdere bijeenkomsten verliepen positief tot zeer positief. Een wisselend aantal mensen met een ‘vaste’ kern van een viertal, bleef de sessies volgen.  Af en toe bleek de aandoening sterker dan de tekst, maar een begeleidster van BW die de deelnemers kent, kon dan ingrijpen.

De aanwezigheid van twee begeleiders van BW die aan de bijeenkomsten deelnemen, is interessant omdat er een gesprek ontstaat dat hen als mensen verbindt en niet langer enkel vanuit hun functie. Het aantal deelnemers varieert van 5 tot 12.

Na afloop van de reeks besloten we een Leescafé te starten in het Lokaal Dienstencentrum. Als drempellage voorziening voor mensen die overdag thuis zijn, is dit LDC immers ook op de kliënten van BW gericht. Tegelijkertijd gaf het de kans om de deelnemersgroep te verbreden.

In haar najaar vond een tweede reeks bijeenkomsten plaats in het LDC Egmont in Zottegem.Iedere keer namen er mensen van buiten BW deel. Maar omdat het LDC zelf nog maar sinds deze zomer open is, is er nog geen groot publiek gevormd. De deelnemers kwamen telkens af op de aankondiging in de Vormingplusbrochure.

Ook nu verlopen de bijeenkomsten gemoedelijk en gezellig. Het valt wel op dat de mensen van BW minder aan het woord komen dan de mondige deelnemers van daarbuiten. Door de soort vragen te variëren (vragen naar eigen ervaring, gevoel, reflectie, vergelijking met realiteit…) probeer ik mensen op andere manieren aan te spreken en iedereen aandacht te geven.

Sinds 15/11 loopt er vanuit UGent/Het Lezerscollectief een onderzoeksproject van 2 masterstudenten psychologie over het effect van het Leescafé op de deelnemers.

Een volgende reeks vindt vanaf januari 2017 plaats in de Stadsbibliotheek van Zottegem. De voorbereidende communicatie hieromtrent wordt hieronder weergegeven. Ze licht toe hoe de verschillende partners en deelnemers tegenover het vervolg van het project staan.

 

(Sonja Focketyn- Vorming Plus i.s.m. Het Lezerscollectief)

Mijnheer Ibrahim onder de lindeboom.

Het was een zonnige en heerlijke ontmoeting, die zaterdag in augustus.  Een ontmoeting met het lezerscollectief, geëngageerde leesbegeleiders, met mijnheer Ibrahim en met  zijn vriend(je) Momo.

Het verhaal van Eric-Emmanuel Schmitt leent zich blijkbaar uitermate goed voor een marathon-lectuur.

Iedereen zit  in de schaduw van de boom glimlachend hardop te luisteren en te lezen. (Ik heb vastgesteld dat je hardop kunt luisteren. Vreemd.) De onvoorspelbare wendingen en verrassingen stapelen zich op.  Je weet niet wat je hoort, je weet niet wat je ervan moet denken. Het is een verhaal met vele lagen. Maar je glimlacht.

Het is een beetje de glimlach die elke soefi betracht. Een soefi kan niet grimmig zijn. Mijnheer Ibrahim is soefi. Hij heeft zich aan het  leven-met-kleine ‘l’ en aan het Leven met grote ‘L’ overgegeven.  Hij is een leraar met kleine ‘l’ en tegelijk een Leraar met hoofdletter ‘L’.  Het Joodse jochie Momo (Mozes) vindt in de kruidenier ‘mijnheer’ Ibrahim een vader en een leidsman.  Ibrahim/ Abraham, de ‘vriend van God’, houdt van Momo/Mozes.  Ibrahim wijst de Weg naar de liefde, die Momo door omstandigheden heeft moeten ontberen. Na het nazitijdperk kon Momo’s vader het leven niet aan. Er was geen plaats meer voor een glimlach of voor de overgave van een kind. Moeder had zichzelf moeten redden.

Ibrahim, de kruidenier die altijd open is, ook op zondag, heeft alleen maar zijn eigen lezing van de Werkelijkheid waarbinnen hij Momo gastvrij en glimlachend verwelkomt. Met veel humor, spitsvondigheid, warmte, mildheid en mededogen. Een bodem voor vrijheid. Vrijheid treedt blijkbaar op wanneer er binnen de eigen lezing van de Werkelijkheid ook plaats is voor de diepere lezing en beleving van de ander. De Werkelijkheid is immers een boek vol tekens. Je moet ze ontcijferen en lezen, zegt de soefi.  Dat is zo iets als long-life-learning.  Eens je dat beet hebt, komt de glimlach. Ibrahim is Abraham, Momo noemt zich op het eind Mohammed. Voor  zijn moeder blijft hij wel degelijk de uit haar geboren Mozes, maar die heeft geen enkel probleem met de nieuw geboren Mohammed.

Wat kan je over soefisme vertellen na de lezing van dit verhaal, vroeg ik aan de groep. ‘Het gaat over aandacht en respect’, antwoordde iemand. ‘Paf’, een glimlach.

Marc Colpaert