INTERVIEW MET PSYCHIATER KRISTIAAN PLASMANS OVER INTUÏTIE

Donderdagmiddag 4 mei kom ik aan bij de Vereniging Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg Antwerpen (VAGGA). Ik heb een afspraak met dr. Kristiaan Plasmans die als psychiater verbonden is aan RC de Keerkring, VAGGA en PZ Bethanië. We ontmoeten elkaar naar aanleiding van het boek ‘De intuïtie van de psychiater’, het afgelopen jaar verschenen boek waarvan hij co-auteur is. Ik vind het een lezenswaardig boek. Het spreekt me aan in het pleidooi om de patiënt met een open blik tegemoet te treden, om naast de ander te gaan staan in een gezamenlijke zoektocht. We praten door over mede-menselijkheid, het buikgevoel en de tussenruimte: een plek van stilte en vertragen. Eerst schetst Plasmans kort zijn persoonlijke achtergrond. Dit als het raamwerk voor het boek. Vervolgens gaat hij in op de hoofdlijnen van het boek. Daarna nemen we wat van mijn vragen door en sluiten we af met een gedicht en een citaat van een andere psychiater.

Plasmans begint met een schets van zijn eigen pad. Dit is namelijk belangrijk als achtergrond voor het boek. Hij is eerst als systeemtherapeut opgeleid in Brugge. In deze studie wordt de nadruk gelegd op familietherapie: het is een sterk contextuele benadering. In dit postmoderne discours wordt niet langer op het zelf gefocust, maar op relaties. Mens en maatschappij worden gezien als sterk verweven. De eigenheid van de mens wordt betwijfeld. Er is sprake van een oplossingsgericht kader met een nadruk op de eigen sterktes en herstelmogelijkheden van de mens.

Vervolgens werkt Plasmans in een meer psychoanalytische setting. Hierbij lag de focus op persoonlijkheidsproblemen, die vaak een oorsprong hebben in de hechting. Ondermeer verwaarlozing en mishandeling vormen vaak een thema in deze problematieken. Hier ervaart hij juist meer nood aan een theorie rond de ontwikkeling van het zelf. Dit vindt hij dan bij de mentalisatietheorie en de belichaamde cognitie: de affectieve neurowetenschappen. Dit gaat in op hoe de mens gebouwd is op rudimentair niveau. Het kernzelf speelt hier een belangrijke rol. Oftewel, hij is zowel gevormd door de contextuele benadering als een benadering met oog voor het zelf.

Tegen deze achtergrond heeft hij aan het boek gewerkt. Hij is voor dit project een twee jaar in Noorwegen met zijn gezin geweest. Hij vertrok met een 100 boeken en keerde terug met een basis manuscript. Terug in België heeft hij het boek afgerond. Het gaat in op een subjecttheorie: een theorie over hoe de mens is opgebouwd of tot wasdom komt. Enerzijds is er sprake van een kernzelf dat automatisch werkt en anderzijds is er het autobiografische zelf, dat grip kan krijgen op het kernzelf. Daarnaast schrijft hij over lichaamsgerichte therapeutische methodieken en over gevoelde betekenis (the felt sense). Hij benadert dit  vanuit de experiëntiële of ervaringsgerichte psychotherapie. Hier is focussen, het gericht luisteren naar deze gevoelde betekenissen, van primair belang en speelt kwetsbaarheid een rol. De structuur van het boek is uiteindelijk wisselend tussen theorie en praktijkvoorbeelden.

Na deze kadering van het boek bespreken we enkele vragen. Ik stel de vraag of we de intuïtie kunnen plaatsen in het dualistische beeld van hoofd-hart, gevoel-verstand, affect-intellect? Plasmans stelt dat deze tegenstellingen weliswaar pogen zaken te verhelderen, terwijl er wat hem betreft steeds sprake is van een interactie tussen beide delen. Hij staat dan ook een meer holistische mensbeeld voor. Wel kunnen mensen zich door bewustwording van bepaalde gevoelens of ervaringen sterker worden.

Vervolgens vraag ik hem of het boek gaat om een gevoeligheid en openheid voor het levensverhaal van ieder mens. Plasmans geeft aan dat dit zonder meer het geval is. Het levensverhaal doet er toe. Voor hem is de verhouding tussen ‘ik’ en ‘de ander’ een belangrijk aanknopingspunt. In therapie kan hier eerst indirect over verteld worden via verhalen. Het beluisteren en benoemen is dan van belang, maar ook evengoed en juist is het stil staan en stil zijn bij het spreken van de patiënt cruciaal. Dit kan weliswaar ongemakkelijk zijn, maar dit vertragen en aanhaken bij het verhaal van de patiënt is wezenlijk. Binnen de narratieve therapie is de kracht van verhalen het uitgangspunt. Het laat toe de mens, als een verhaal, te schrijven en herschrijven. Via verhalen van anderen, en dit kan zelfs gaan over film en literatuur, wordt een nieuw perspectief aangereikt. Soms kan dit leiden tot een levensveranderend inzicht.

Dan laat ik hem het volgende gedicht van Gerrit Achterberg lezen.

Psychiater

 

Leg uw ge-‘weten’ bij mij aan

als thermometer, blijf niet staan

op een verschil van zeven meter

met de normaal.

‘Morgen gaat het beter, beter, beter…’

en laat mij weer naar huis toe gaan

 

Je kunt nog beter henengaan

en haal voor zeven gulden aether;

of doe iets door het middagmaal.

‘En trek je van de zaak niets aan.’

Ik ben misschien allang vergeten,

dat ik nog altijd moet bestaan.

 

Hij ziet inderdaad een tendens in de hulpverlening om eerst labels te plakken en vervolgens een plan hierop te maken. Het evidence-based denken kent ook een opmars in België. Echter, wat hem betreft is aanwezigheid en verbinding van wezenlijk belang. Tegelijk blijft er een verschil tussen psychiater en patiënt. Van de psychiater wordt wel degelijk verwacht en gevraagd dat hij of zij een tegenover biedt. De patiënt wil zijn verhaal vertellen en de zorg van psychiater is om te luisteren, aan te haken en door te vragen.  Binnen het herstelgerichte denken blijven afstand en nabijheid overeind staan, maar het gaat ook om aanwezig zijn en het laten gebeuren in kwetsbaarheid.

Vervolgens vraag ik Plasmans te reageren op een gedicht van de Engelse metafysische dichter John Donne (1572-1631).

Niemand is een eiland

 

 

Niemand is een eiland

Niemand staat alleen

Iedereen maakt deel uit van het vasteland,

Een deel van het geheel.

Als een aardkluit wordt weggespoeld door de zee

wordt Europa minder.

Ook als het een uitsteeksel was

Ook als het een een landhuis van vrienden was

Of van jezelf

Ieder mens’ dood maakt mij minder

Omdat ik betrokken ben op de mensheid

Laat me daarom nooit weten voor wie de kerkklok luidt

Die luidt voor jou.

 

Ik lees hierin het aspect van medemenselijkheid. Wat Plasmans betreft is er inderdaad zoiets als een natuurlijke menselijke verbondenheid. Het menselijk contact dwingt iets af. Hij weet zich hierin geïnspireerd door Levinas’ filosofie van het gelaat. Het gelaat doet een oneindig appel op onze menselijke verantwoordelijkheid. Hierdoor komen we bij de vluchteling terecht. Plasmans spreekt regelmatig vluchtelingen. Het is juist in deze gesprekken dat hij zich het meest machteloos voelt.

 

Ik sluit af met een afbeelding van de Poolse kunstenaar Kaziemierz Cycon (1931-2004). Deze figuur spreek mij sterk aan. Enerzijds lijkt de terugkerende figuur in de werken van de Poolse kunstenaar weg te duiken voor de toeschouwer, en deze tegelijkertijd toch te willen aankijken en te speuren naar zijn of haar reactie: kijken, zonder gezien te worden. In de houding van de figuren sluimert een vage sfeer van schuld en schaamte. Maar anderzijds is ook de tegenovergestelde interpretatie mogelijk: de figuur duikt niet weg, maar recht de rug. Cycons reeks toont een aarzelende dynamiek en pauzeert de figuren op een onbeslist moment en breekbaar interval (bron: museum Dr. Guislain). Plasmans herkent dit drempelmoment in het therapeutisch contact. Zowel de patiënt als de psychiater zijn hierin kwetsbaar. Een authentiek en eigen menselijk handelen is belangrijk.

 

We praten nog wat na, ook over wat er in een gesprek kan gebeuren. Dat je soms dingen zegt, die je niet van plan was. Dat je tot inzicht kunt komen tijdens het praten. Kortom, het is een boeiend gesprek, met stof tot nadenken. Ook binnen de leesinitiatieven is het luisteren en aanhaken van belang. Soms is stilte geboden, maar soms ook doorvragen. Een moedig, authentiek handelen is leidend hierin, en het besef dat je er niet alleen voor staat.

 

Kristiaan Plasmans & Geert Van Asten. De intuïtie van de psychiater. Een pleidooi voor stille signalen in therapie. Lannoo, Tielt, 2016.

 

(Jan Van den Brink)

Doctoraat Reading Suffering van Emy Koopman – een leesverslag

Doctoraat Reading Suffering van Emy Koopman – een leesverslag

Schrijver en onderzoeker Emy Koopman (1985) (wiens debuutroman Orewoet dit jaar op de longlist van de Fintro Literatuurprijs stond), heeft een boeiende doctoraalstudie geschreven. Het gaat over de vraag waarom mensen lezen over het lijden van anderen en welk effect dit op hen heeft. De titel is ‘Reading Suffering[1]’ of ‘Lezen over Lijden’ met als ondertitel: ‘Een empirisch onderzoek naar empathie en reflectie in reactie op literaire verhalen’.

Inhoudelijk

De Griekse filosoof Aristoteles (384-322 vC) schrijft al in zijn Poetica dat het theater zowel angst als medelijden opwekt bij het publiek. Het zou hiermee catharsis bewerkstelligen, ofwel een louterend effect hebben. In het algemeen wordt er geloofd dat literaire werken empathie zou bevorderen en tot reflectie zou leiden. Lezen zou zelfs leiden tot socialer gedrag.

Dit heeft Emy Koopman nader onderzocht. Ze vertrekt vanuit twee wijzen van lijden die regelmatig terugkomen in de hedendaagse literatuur, namelijk depressie en rouw. In de eerste plaats heeft ze gezocht naar de hoofdmotieven van lezers om over lijden te lezen. Ze concludeert dat men over lijden leest omdat men een ’emotionele en betekenisvolle ervaring’ lijkt na te streven. Verhalen over lijden zijn betekenisvol omdat ze woorden geven aan en inzichten overdragen over ervaringen die lezers weliswaar zelf nog niet hebben gehad en mogelijk nooit zullen hebben, maar die deel uitmaken van wat het betekent om mens te zijn.

Daarnaast heeft ze uitgezocht in welke mate het lezen van narratieve teksten over lijden emotionele reacties tijdens het lezen zelf, reflectie en empathie voor anderen en sociaal gedrag opwekt. Het meevoelen met een personage lijkt ertoe te kunnen leiden dat mensen meer begrip ontwikkelen voor een mensen in een vergelijkbare situatie, en het meevoelen met een personage kan aanzetten tot reflectie. Daarbij leidt het lezen van romans over depressie inderdaad tot een breder begrip voor depressieve mensen, vooral dan wanneer er zowel sterke narratieve als esthetische emoties worden opgewekt. Daarnaast werd helder dat ook als er geen sprake is van identificatie, onverwachte stilistische kenmerken er alsnog voor kunnen zorgen dat lezers gaan invoelen en reflecteren.

Verder gaat Koopman in op in hoeverre persoonlijke ervaringen van de lezer in de tweede vraag een rol spelen. Persoonlijke ervaring, zo blijkt, heeft een effect op sociaal gedrag bij het lezen over depressie, maar niet bij rouw.

Voor ons als lezers

Persoonlijke ervaringen zijn dus van belang, maar ook zonder deze kan literatuur ons raken en empathie bij ons los maken. Literatuur maakt dus zaken in ons mensen los en maakt ons bewust van ons mens-zijn.

Last but not least, Koopman zelf stelt al dat dit onderzoek de suggestie wekt dat we zouden kunnen voorspellen onder welke omstandigheden het lezen van literatuur tot empathische en reflectieve reacties zou leiden. Ze onderstreept echter dat dit nooit te voorspellen is en, vooral, dat we dat nooit zouden moeten willen. Literatuur heeft juist betekenis in haar meerduidigheid en gelaagdheid. Verrassing is het hoofdeffect. Het blijft echter waardevol om te zoeken naar wat de impact van literatuur is. Daarbij valt literatuur niet enkel terug te brengen tot haar sociale nut. Immers, zo besluit ik met haar, literatuur kan juist ook verontrustend en schandalig zijn, een vrijplaats voor onze gedachtes en gevoelens, en het is van het grootste belang dat dit overeind blijft.

Ik denk dat dit ook van belang is voor de leesgroepen. Dit zijn immers juist ook vrijplaatsen waar mensen, onafhankelijk van hun ervaringen kunnen deelnemen, maar waar onze ervaringen betekenisvol zijn en betekenis krijgen.

Reactie Emy Koopman

Ik vraag Emy zelf of ze door haar onderzoek naar literatuur en empathie anders is gaan lezen. Ze vertelt me: “Ik ben door mijn lezersonderzoek naar literatuur en empathie niet anders gaan lezen. Hiervoor had ik (naast een studie Psychologie) al wel de studie Literatuurwetenschap in Utrecht gedaan, inclusief een tweejarige onderzoeksmaster. Dankzij Literatuurwetenschap kan ik technisch kijken naar teksten, maar ik doe dat eerlijk gezegd zelden als ik in mijn vrije tijd een roman lees. Alleen als een tekst mij zeer positief of juist negatief opvalt, probeer ik na te gaan hoe dat komt. Dit ben ik de afgelopen paar jaar meer gaan doen. Dat kwam echter niet door mijn lezersonderzoek, maar doordat ik zelf een roman aan het schrijven was (Orewoet, net als het proefschrift gepubliceerd in september 2016). Hoe verder ik daarmee kwam, hoe vaker ik ook bleef hangen bij zinnen en scenes van andere schrijvers, met name andere debutanten. Een simpele kwestie van vergelijking: hoe doet hij/zij dit, hoe doe ik dat zelf, wat werkt beter? Beide vormen van lezen vind ik waardevol…”

(Jan van den Brink)

[1]   De doctoraalstudie is te vinden op Koopmans website:  https://emykoopman.wordpress.com/phd-project-reading-suffering-literatuur-en-empathie/

WAT HEBBEN OREWOET EN READING SUFFERING MET ELKAAR GEMEEN? EMY KOOPMAN METER VAN HET LEZERSCOLLECTIEF

Wie is Emy Koopman?

Wie je bent, dat lijkt me voor iedereen een moeilijk te beantwoorden vraag, tenzij je terugvalt op je beroep. Ik houd wel van het idee van Aristoteles dat uit je daden blijkt wie je bent: je bent wat je steeds opnieuw doet. In mijn geval is dat: lezen, schrijven, onderzoeken. Het lezen kwam het eerst (volgens mijn moeder was mijn eerste woordje buiten het mama-papa-spectrum ‘biebiekeek’ – bibliotheek), het schrijven volgde zodra ik een basale kennis van het alfabet bezat, dat uitte zich in dierenverhaaltjes vol fouten. ‘Onderzoek’ klinkt wat hoogdravend, maar als je het ziet als nieuwsgierigheid en dingen uitvogelen, dan gaat het samen met alles wat de moeite waard is – zowel schrijven als lezen kan daar niet zonder.

Twee werken van formaat. Met Orewoet publiceer je in 2016 je debuutroman en sta je al op de longlist van de Fintro Literatuurprijs, met Reading Suffering behaal je in 2016 ook Cum Laude je doctoraat…

 De Fintro-nominatie kwam geheel onverwachts, en ook de cum laude zag ik niet aankomen, dat hoor je pas nadat je het proefschrift hebt verdedigd. Het zijn blijken van erkenning die ik zeer waardeer. Zeker de Fintro-nominatie; die geeft me als beginnend schrijver de moed om te blijven schrijven.

In beide boeken spelen rouw en depressie een rol, maar via een roman onderzoek je zoiets natuurlijk op een heel andere manier dan via een onderzoek naar lezersreacties op teksten. In een proefschrift probeer je algemeen geldige uitspraken te kunnen doen, wetmatigheden te vinden, voorlopige antwoorden op onderzoeksvragen te geven. In een roman probeer je via personages ook grotere, algemenere gevoelens te bekijken, maar zonder enige wetenschappelijke pretentie en zonder expliciete stellingname.

Wie Reading Suffering leest, heeft daarna een idee waarom we droevige boeken lezen en wat literatuur kan doen voor empathie. Met wie Orewoet leest kunnen vele dingen gebeuren – dat is van tevoren moeilijk te voorspellen, zelfs met kennis van lezersreacties. Waarschijnlijk zullen eenzame tieners, babyboomers en moeders van moeilijke pubers zich er meer in herkennen dan andere lezers. Al is herkenning niet noodzakelijk voor een waardevolle leeservaring. Orewoet beantwoordt geen vragen, maar ik hoop wel dat bij het lezen invoelbaar wordt dat de grenzen tussen waanzin en verliefdheid en waanzin en normaliteit vloeibaar zijn en dat lezers gaan nadenken over hun eigen neiging om anderen te romantiseren.

Dank om het meterschap op je te nemen. Wat boeit jou in wat Het Lezerscollectief doet?

Het Lezerscollectief is een geweldig initiatief. Het brengt mensen op een laagdrempelige manier in contact met literatuur en met anderen. Ik mocht een keer meekijken bij de leesgroep van Kristien Van Damme in Dendermonde. Het was mooi om te zien hoe de mensen in die groep aan een kleine passage genoeg hadden om zeer persoonlijke herinneringen te delen, maar hoe ze vervolgens ook weer makkelijk terug te halen waren naar het verhaal. Op die manier vormt een literaire tekst de aanleiding om jezelf en anderen beter te leren kennen. Het biedt daar een kader voor, terwijl je tegelijkertijd prachtige zinnen en goede verhalen hoort. Geen wonder dat het Lezerscollectief zo’n succes is.

OP BEZOEK: SAMEN LEZEN IN ZELZATE

Zaterdagmorgen 10.00 sta ik bij het psychiatrisch ziekenhuis in Zelzate, een modern gebouw, met fraaie bomen en een mooie binnentuin. Tot in de jaren ’90 was er alleen plaats voor mannen; nu verblijven er ook enkele vrouwen. Ik bezoek hier de leesgroep onder leiding van Erika. Hoewel de bewoners door hun ziekte en medicijnen moeite hebben om zich te concentreren, lezen ze hier toch, al sinds december 2015.

Ik ga naar binnen met Erika. In de koffieruimte praat ik eerst met haar door over haar motieven en ervaringen. De combinatie van literatuur en samen lezen, gekoppeld aan een sociaal engagement voor laaggeletterden is voor haar belangrijk: haar leesgroep doet ze met hart en ziel. Het personeel steunde aanvankelijk het initiatief niet zo, maar r ook dat is veranderd.

Ze hebben reeds diverse kortverhalen gelezen en zijn bezig met de roman Het Kleine Meisje van Meneer Linh (2005) van Philippe Claudel (1962). Ze lezen elke leesactiviteit  enkele fragmenten uit de roman.

We gaan naar één van de ontmoetingsruimtes. Hier zitten al een paar deelnemers te wachten. Als nieuweling word ik enthousiast onthaald door hen. Peter vertelt me, bijvoorbeeld, dat ze binnenkort een uitstap hebben naar Nederlands Limburg. Erika begint de leeskring met de vraag waar ze in de roman gebleven zijn. Het gaat over meneer Linh en meneer Bark, zo weten ze te vertellen. Meneer Linh is op de vlucht, voor oorlog. Dan beginnen ze te lezen. Meneer Linh, zijn kleindochtertje  Sang diû, en meneer Bark op stap gaan naar de haven. De stevige meneer Bark en de kleine meneer Linh trekken de aandacht onderweg. De haven met haar geuren van vis, algen, zout en pek roept bij de deelnemers ook herinneringen op aan geuren van vroeger: verschillende denken aan tabaksgeuren en anderen aan etenswaren. We lezen verder.

Meneer Linh laat een verkleurde foto laat zien van vroeger, van zijn vaderland waarop hij en zijn vrouw te zien zijn, nog jong en strak kijkend. Dit doet de lezers denken aan vroeger: ook hun familiefoto’s waren nog plechtig en stijfjes. Bij Bark roept deze foto herinneringen op aan de tijd dat hij in dat land een vuile strijd streed. Het raakt hem diep: hij ziet er uit als een ‘schip vernield door een zware storm’. De herinneringen zijn voor Linh en Bark beiden ‘onverdraaglijk’ en ‘verschrikkelijk’. Marc vraagt zich af of de beide mannen nog wel vrienden kunnen zijn, nu Bark heeft gevochten in Linhs land en er verschrikkelijke dingen heeft gedaan. Sang diû, het kleindochtertje, is volgens een ander degene die hen verbindt. We komen aan het einde van het fragment en van de bijeenkomst. Marcus heeft steeds geslapen: door zijn nieuwe medicijnen slaapt hij ‘s nachts maar heel kort, hij is al wakker vanaf 2.00.

Ik reflecteer met Erika achteraf over de leesgroep. Het personeel maakte onlangs wel een mooi compliment. Iemand vroeg aan Erika wat ze aan het lezen waren, want het maakt nogal reacties los bij de deelnemers. De besprekingen gaan veelal over de plot van het verhaal: Erika vraagt hen naar de verhaallijn, maar ook naar associaties die de tekst oproepen. Tijdens de besprekingen zijn sommigen vlot en geanimeerd, terwijl anderen stil aanwezig zijn. Daarbij heeft ieder zo zijn eigen patroon. Eén iemand loopt altijd even weg om de was te doen. Een ander luistert alleen en heeft geen behoefte aan de geprinte tekst.

De deelnemers zelf zijn veranderd. Toen Erika begon te lezen, vond iedereen altijd alles mooi vonden. Nu beginnen ze de tekst kritisch te benaderen. Ze vragen zich regelmatig af waarom de schrijver bepaalde zinnen opschrijft. Mooi om te merken dat zowel bij de lezers als bij het personeel dingen in beweging komen…

(JAN VAN DEN BRINK)

WABLIEFT IN LIVERPOOL. EEN ERVARING DIE BLIJFT HANGEN.

Dinsdag 23/2/2017. Na een treinrit van Liverpool naar Manchester ontmoet ik leesbegeleidster Kate Weston in het station. Vanuit Manchester nemen we nog een trein en een taxi om de vrouwengevangenis Styal te bereiken. De rit erheen geeft ons gelegenheid om al één en ander door te praten. De leesgroep heeft wisselend succes, weet Kate. De afgelopen weken daagden opvallend minder deelnemers op. Een mogelijke oorzaak zijn de ‘permission slips’, briefjes die gevangenen krijgen om te mogen deelnemen aan activiteiten. Die briefjes worden vaak gebruikt als een soort beloning voor goed gedrag. Het omgekeerde gebeurt ook: als gevangenen in problemen raken, krijgen ze geen toestemming om aan activiteiten deel te nemen. De briefjes komen af en toe ook niet terecht, denkt Kate. Vorige week had ze één deelneemster aan de leesgroep. Ze hoopt op een betere opkomst vandaag.

Bij de start van de leesgroep zijn twee deelneemster aanwezig. Zij zijn allebei vaste ‘klanten’. Eén van hen is Samantha, de ene deelneemster van vorige week.

De leesgroep mag een klein lokaaltje gebruiken in een administratief blok van de gevangenis. Niemand van het personeel neemt deel. Begeleidster Kate heeft het kortverhaal ‘The Necklace’ (La Parure) van Guy de Maupassant meegebracht (http://www.eastoftheweb.com/short-stories/UBooks/Neck.shtml). Kate heeft ook koffie, thee, koekjes en druiven mee voor iedereen in de groep. Wanneer Kate enkele regels ver in de tekst is, dagen nog twee deelneemsters op. Zij komen voor het eerst naar de leesgroep en weten niet zo goed wat te verwachten. Later sluit nog een nieuwe deelneemster aan. Hoewel de vrouwen elkaar niet kennen, lijken ze allemaal op hun gemak in de groep. Ook mijn aanwezigheid stoort hen duidelijk niet. Ze praten heel open met elkaar over de tekst en vullen elkaars interpretaties aan. Halfweg de tekst stappen de twee ‘anciens’ van de groep op. Blijkbaar hebben ze hetzelfde verhaal ook al met de voorgangster van Kate gelezen, nu ongeveer een jaar geleden. “We zouden toch alleen maar hetzelfde kunnen zeggen als toen. Dat heeft weinig zin”, leggen ze uit. Met de nieuwelingen leest Kate verder. Ook nu blijft het gesprek op gang. Er komen verschillende inzichten en interpretaties. Die worden Na afloop beloven twee van hen er volgende week ook terug bij te zijn. Dat stemt Kate heel tevreden.

Op de terugweg praat ik na met Kate. Hoe staat zij tegenover de deelneemsters? Kate vertelt dat ze hen als ‘gewone’ mensen bekijkt. Waarom ze daar zijn en voor hoe lang, speelt geen rol. Willen ze er zelf over praten, is dat goed. Willen ze dat niet, ook goed. Door haar open opstelling heeft Kate snel het vertrouwen kunnen winnen van de deelneemsters. Er is niemand van het personeel in de ruimte. Wellicht helpt dat ook om een ontspannen sfeer te creëren. Er is een ‘panic button’ in de kamer, maar die heeft Kate nog nooit hoeven te gebruiken.

Kate is ervan overtuigd dat de leesgroep voor veel deelneemsters een rustpunt is. Door ‘shared reading’ komen ze ook tot inzichten over zichzelf en hun situatie. Dat is niet altijd eenvoudig, soms zelfs behoorlijk emotioneel, maar de ervaring heeft een positief effect op de deelneemsters. Datzelfde zal later ook blijken uit wat ex-gevangene Anne vertelt aan tafel bij The Reader.

Ruud Meert, hoofdredacteur WABLIEFT.

 

WREED SCHOON: THEMA VAN ONZE NETWERKDAG

“Het was een hallucinante ervaring om deze “nieuwe” sprookjes te lezen. Alsof de westerse cultuurgeschiedenis wordt herverteld, maar dan met granaatappelen, met maniok en vulkaanbergen als decor. De daaraan verbonden conclusies moet iedereen zelf maar trekken – ik hoop in elk geval dat elke Belgische, elke Nederlandse lezer deze sprookjes mag leren kennen.”

Ramsey Nasr over het boek Wreed schoon, Marita De Sterck. Uitgeverij Polis, 2017

SAMEN LEZEN- WREED SAMEN

Een zonnige winterochtend half maart. De lucht zwanger van de lente: heldere, frisse lucht, vogels en schapen op de velden rondom de Kluizenarij in Affligem.

Blije leesbegeleiders ook want vandaag mogen ze weer een dag genieten van samen lezen, deze keer in de vorm van een netwerkdag met Marita de Sterck. We komen samen rond een nieuw boek van Marita: Wreed schoon. Volkssprookjes op reis. In dit boek tekende Marita de Sterck levende verhalen op zoals ze vandaag nog verteld worden in de woonkamers van de vele verschillende culturen die Vlaanderen ondertussen rijk is.

Vooraleer Marita ons over dit project vertelt – wat ze op een onnavolgbare enthousiasmerende manier doet – lezen we in twee groepen een verhaal uit de bundel. Vooral de leesgroep rond een verhaal uit Burundi blijft lang na afloop hangen. Waarom dan wel? Omdat niet alleen het verhaal wreed schoon was, maar ook en misschien vooral omdat het gesprek errond wreed tof bleek.

Het verhaal De man van haar dromen[1] is een van Marita’s lievelingsverhalen uit de bundel. Ze was dan ook benieuwd hoe het verhaal ‘het zou doen’ in een samen lezen-sessie. Met een achttal vrouwen – waaronder Marita – trokken we naar een rustige en zonnige ruimte in de Kluizenarij. Gezeten aan een ronde tafel, met wat kachelwarmte om de kilte uit de ruimte te verdrijven, begonnen we aan het verhaal. De beginzin deed een klassiek sprookje vermoeden: ‘Er was eens een mooie jonge vrouw die dag en nacht van liefde droomde. Maar een echtgenoot of geliefde had ze nog niet.’ Als leesbegeleider merkte ik hoe verrast de vrouwen waren toen bleek dat deze jonge vrouw – die afwijzend stond tegenover veel jonge mannen – zich volledig overgaf aan een nachtelijke, geheime minnaar en nadien nog maagd bleek te zijn. Toen ik halt hield na de zin ‘Blonk ze nog meer dan anders? Wat als iedereen aan haar kon zien dat ze de liefde bedreven had?’ ontspon het gesprek zich onmiddellijk. Een vraag van mijn kant was overbodig aangezien de aanwezige vrouwen elkaar zelf voldoende vragen stelden: Was het een droom? Maar vanwaar dan die gekreukte lakens die de jonge vrouw stiekem uitwaste? Realiteit en fantasie leken probleemloos in elkaar over te vloeien. En wat dan nog als het slechts een droom was? Kunnen dromen verlangens vervullen? Je (fysiek) veranderen? Waarom hield de jonge vrouw het nachtelijk bezoek geheim? En waw, sommigen hadden zelf wel zo’n (droom)man op bezoek willen krijgen! Gegrinnik alom, maar ook wat verbazing over de onverschrokkenheid van die jonge vrouw die duidelijk wist wat ze wou,  ‘een slimme en knappe geliefde met lieve ogen, een zachte mond, stevige schouders en warme handen.’ Vooral de zinnen ‘Nooit eerder had iemand haar van tot teen zo beroerd. Ze gaf zich over.’ werden eruit gelicht als ‘sterk’.

De deelnemers wilden verder lezen. Zoveel was duidelijk.

Het verhaal nam alweer een verrassende wending. Niet omdat ‘de nachtelijke bezoeken mannen van heinde en ver aan[trokken], maar omdat de ouders van het meisje – duidelijk geboren in een Afrikaanse, landelijke omgeving – akkoord gingen met een van de jonge vrijers die zei dat hij geen besneden meisje wou. Bovendien was het ‘een knappe man die niet lomp, niet dom, niet snoeverig was. Hij kon zijn ogen niet afhouden van de jonge vrouw.’

We pauzeren nogmaals, want hier viel toch veel over te zeggen. Allemaal vonden we de reactie van de ouders en de jongeman fantastisch. Je moet wel sterk zijn om tegen je eigen gemeenschap en de daar geldende normen en waarden in te gaan. Niet gemakkelijk. Wat zou een man van dit verhaal vinden vroeg een van de lezers zich op een bepaald moment af. Ze miste – zo zei ze- het mannelijk perspectief in dit verhaal, wat vele anderen tegenspraken. Hilariteit alom dan ook toen kort na deze interventie de deur van de kamer openging en Dirk Terryn – organisator van de netwerkdag – kwam kijken ‘of we bijna klaar waren’? Wat een vraag, neen, we waren zeker nog niet uitgepraat. Onder gegiechel sloot Dirk de deur en gunde ons nog wat tijd.

Tijd voor het laatste stukje van het verhaal waarbij naar mijn aanvoelen iets héél moois gebeurde nadat een van de lezers zei dat ‘een vrouw toch recht heeft op iets ‘van haar alleen’, op een geheime plek in haar hoofd, want de jonge vrouw uit het verhaal trouwde dan wel met de jonge aanbidder, het was pas nadat ze een kind van hem kreeg dat ze niet meer verlangde naar haar nachtelijke, ideale minnaar… Een andere vrouw vond dit maar raar – met je partner deel je toch alles? Ook je fantasieën? Mmm, velen onder ons dachten daar anders over, maar geen enkele keer werd een idee weggelachen, als ‘vreemd’ bestempeld… Neen, in een bijzonder intieme sfeer verkenden we elkaars ideeën en die man… die misten we even helemaal niet.

Silvie Vanoosthuyze. Leesbegeleider Odisee, campus Brussel

Graag verwijzen wij ook naar de boeiende expo bij het boek. Een uitstap meer dan waard… http://www.permeke.org/wreedschoon/expo

[1] Marita de Sterck & Jonas Thys (ill.) (2017). Wreed schoon. Volkssprookjes op reis. Kalmthout: Polis, pp. 316-319.

SAMEN LEZEN VOOR ANDERSTALIGEN IN ZEMST

Met vijven, 4 vrouwen en 1 man. Een mooie opkomst vind ik zelf. Qua niveau Nederlands redelijk aan elkaar gewaagd. Uit alle deelgemeenten van Zemst zat er iemand aan tafel. Ook verschillende continenten: Europa, Zuid-Amerika en Afrika.

We lazen ‘Een wonderlijk kerstcadeau’ door Ria van Adrichem uit boekje Mag het ietsje meer zijn en twee bijhorende gedichten: ‘Wie is wie’ van Frank Eerhart en  ‘Vreemde stad’ van Toon Hermans. Daarna nog een stukje uit Rodaan Al Galidi,  Hoe ik zin in het leven kreeg, uitgeverij Jurgen Maas, p.55-57.

De  tekst werd goed begrepen en goed gesmaakt. Hij bracht verschillende kleine discussies op gang. O.a. over gastvrijheid in de verschillende landen. Bij het aankondigen van de gedichten, zei iemand: “Dat is grote literatuur,  niets voor mij”; waarop een ander repliceerde “Een gedicht moet je voelen.”

Ook de tekst van Rodaan Al Galidi leverde heel wat gespreksstof op over tijdsbesef en over het concept tijd en afspraak t.o. een onmiddellijke noodzaak bv. iemand hulp bieden. Hoe die perceptie cultureel bepaald is.

De deelnemers waren enthousiast en wilden wel elke 14 dagen een bijeenkomst. Ook het feit dat het overdag was, was een pluspunt voor de twee jonge moeders.

(Ellen Adam)

STUDIEREIS LIVERPOOL: SAMEN LEZEN IN DETENTIE

Het Lezerscollectief organiseerde voor twee partnerorganisaties een werkbezoek aan The Reader rond het thema: Samen Lezen in detentie. Ruud Meert van VOCVO, Thomas Baeckens en Frederik Janssens van de Rode Antraciet, Dirk Terryn en Jan van den Brink reisden af naar Liverpool. Hierbij twee impressies.

Dirk en Jan bezoeken de jeugdgevangenis van Barton Moss. Ze lezen er met een groep van 6 jongens, wekelijks. De jongens komen vrijwillig lezen, ook in hun vakanties. Val Hannan is de leesbegeleidster en twee begeleiders zijn er ook bij. Een begeleider blijft in haar eigen tijd de groep bijwonen. Val heeft het kortverhaal A Cap for Steve van de Canadese schrijver Morley Callagham uitgezocht. De jongeren komen één voor één binnen, met een handdruk: er is een hartelijke sfeer. Ze kiezen een stoel, zetel of één van de zitzakken. Ze zijn tussen de 14 en 17 jaar. Val situeert het verhaal en de auteur kort en begint het hardop te lezen. Tijdens de pauzes reageren de jongens geanimeerd. Een jongen zegt stellig dat de vader de pet van Steve nooit had mogen verkopen. Een ander zegt dat rijk en arm geen rol zou moeten spelen. Weer een ander zegt dat alles een prijs heeft. Val stelt regelmatig een vraag, om door te vragen of de jongens te prikkkelen.

We zien dat het samen lezen van het verhaal voor de jongens belangrijk is. Het raakt hen. De jongens komen levenswijs over: ze weten lastige emoties raak te benoemen en ze gaan thema’s als vader-zoon verhouding niet uit de weg. Dat het wekelijks lezen hen wat lijkt te doen, is ook de ervaring van Val. Ze zegt achteraf dat onze aanwezigheid de jongens wat stiller maakt, dat er anders meer interactie is. De kracht van het samen lezen zit voor haar in de indirectheid: het verhaal biedt de jongens steeds de mogelijkheid in te haken op thema’s uit het verhaal.

Thomas en Frederik bezoeken o.a. het Stafford House, een probatiehuis, waar mensen met een persoonlijkheidsstoornis verblijven. Het is in Engeland een gangbare praktijk dat in een dergelijk huis de proeftijd wordt uitgezeten. Cat Miller is de leesbegeleider en er is een staflid bij. Cat leest het kortverhaal ‘The Birtday Cake’ van de Amerikaan Daniel Lyons. Het verhaal speelt zich af in New York. Er is enige animositeit over de aanwezigheid van Puerto Ricanen en er is de strijd over de ene verjaardagstaart en wie deze mag kopen. 

  What if you slept

  And what if

  In your sleep

  You dreamed

  And what if

  In your dream

  You went to heaven

  And there plucked a strange 

  and beautiful flower

  And what if

  When you awoke

  You had that flower in your hand

  Ah, what then?

 

  Samuel Taylor Coleridge

Na de sessie hebben ze een interessant gesprek met Paul Walker, de manager van het probatie-huis. Hij is bijzonder nuchter en realistisch. De politici hebben het weliswaar vooral over ‘veiligheid’ en ‘rehabilitatie’, maar hij ziet armoede als oorzaak van de criminaliteit. Zolang dit niet aangepakt wordt, verwacht hij geen wezenlijke veranderingen. Echter, hij merkt op dat medemenselijkheid voor hem van het grootste belang is. In het huis vragen ze dan ook niet ‘waar ga je naartoe?’, maar ‘hey, hoe gaat het met jou?’.

Medemenselijkheid is nu juist één van de pijlers van samen lezen. De gevangen als volwaardig mens zien, ieder de ruimte bieden op eigen wijze te reflecteren op een tekst, kan hen in ieder geval het besef van hun mens-zijn teruggeven. Dit blijft inderdaad een voortdurende zoektocht, maar het is de inzet en de ervaring van de samen lezers.

(JAN VAN DEN BRINK)

BESCHUT WONEN EN SAMEN LEZEN IN PERMEKE

De leesgroep in de bibliotheek Permeke van Antwerpen is ontstaan uit een groep bij Beschut Wonen aan de Lange Lozanastraat in Antwerpen. Nu lezen er ook anderen mee en ontmoet men elkaar eens in de twee weken op dinsdagmorgen. Dit geeft een bont gezelschap, onder de bevlogen leiding van Diederik van Woensel.

Eerst wordt het kortverhaal van de Zuid-Amerikaanse schrijfster Isabel Allende ‘Twee Woorden’ gelezen. Diederik begint te lezen en wordt afgewisseld door verschillende anderen. Het is het verhaal van Belisa Crepusculario: hoe zij diepe armoede, honger en droogte overleeft, de kracht van het woord ontdekt en hier haar brood van maakt. Het hardop lezen van de tekst geeft een eigen, directe ervaring. Regelmatig is er een pauze om stil te zijn, maar waarin ook vragen worden besproken over de achtergrond van het verhaal en welke zinnen de lezers raken. De zin ‘Belisa bleef niet stilstaan, want ze kon haar krachten niet verspillen aan medelijden’ raakt sommige lezers, want het staat voor de diepe armoede en de drang tot overleven. Maar ook de zin dat Belisa begrijpt dat ‘woorden los rondvliegen zonder eigenaar en dat iedereen die een beetje toverkracht bezit, ze kan vangen om ze te gelde te maken’ wordt genoemd.

Dan wordt het gedicht van de Vlaamse dichter Herman de Coninck (1944-1997) ‘De Plek’ gelezen. Het roept allerlei associaties op. Zo worden de tegenstellingen benoemd: bijvoorbeeld ‘niets zien’ tegenover ‘zien’, ‘blijven’ tegenover ‘veranderen’. Dit komt sterk naar voren in de derde dichtregel: ‘Er is niets te zien, en dat moet je zien’. Allen delen de ervaring dat het een ontoegankelijk gedicht is, maar toch spreekt het aan.

De deelnemers waarderen ieder op eigen wijze de leesgroep. Sommigen ‘lezen graag’ en vinden het ‘boeiend’ omdat er ‘onbekende en nieuwe’ teksten worden gelezen en ontdekt. Anderen geven aan door hun ziekte te weinig concentratie te hebben om nog verhalen te lezen; de kortverhalen in de groep zijn dan een uitkomst. De groepsdynamiek wordt door allen gewaardeerd. De sfeer ervaren ze als  open. Iemand geeft aan een psychose te hebben gehad en nu ‘een beter mens’ te zijn geworden door de ervaringen binnen de leesgroep.

Diederik is enthousiast. Ook hij vindt samen lezen voor zichzelf een verrijkende ervaring: hij stuit steeds op nieuwe teksten. Hij vindt de sfeer bijzonder, want er is openheid, respect en vertrouwen. Het zijn bijeenkomsten die er toe doen. zonder oordeel naar elkaar. Uiteraard is er een verschil in uiten: sommige deelnemers delen gemakkelijk, terwijl anderen niet altijd wat zeggen, maar er wel degelijk zijn. Het verhaal is en blijft de landingsbaan, zowel voor de deelnemers als de leesbegeleider. Immers, het woord is van niemand en altijd open voor interpretatie.

(Jan van den Brink)